Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:17673
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,710 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.38990
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Jamal Abdilahi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
2. Eiser stelt dat de overname vanuit het strafrecht naar het vreemdelingenrecht op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden, nu er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was.
3. De rechtbank is van oordeel dat de overname vanuit het strafrecht naar het vreemdelingenrecht op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is een vereiste bij een vreemdelingrechtelijke staandehouding. Eiser is echter strafrechtelijk aangehouden, waarbij dit vereiste niet gold en ook niet op een later moment ging gelden. Tijdens de strafrechtelijke fase is naar voren gekomen dat eiser in
Nederland geen rechtmatig verblijf heeft, dit is voldoende voor een overname naar het vreemdelingenrecht. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag vreemdelingrechtelijke ophouding
4. Eiser stelt dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Daartoe voert eiser aan dat nu de minister stelt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken de ophouding niet op artikel 50a van de Vw kon worden gebaseerd, maar op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw had moeten plaatsvinden.
5. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling. De minister heeft op de zitting ook erkend dat een onjuiste grondslag voor de ophouding is gehanteerd. In zoverre slaagt deze beroepsgrond van eiser. Dit is een gebrek in het voortraject, maar de rechtbank is van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 50, derde lid, van de Vw bood wel een grondslag voor de ophouding van eiser. Niet is gebleken dat eiser door het geconstateerde gebrek in rechtens te beschermen belangen is geschaad. Omdat de beroepsgrond slaagt en de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toepast, ziet de rechtbank, conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling.1 De rechtbank zal hierop onder rechtsoverweging 18 nader ingaan.
Artikel 5.3, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)
6. Eiser stelt verder dat de minister heeft gehandeld in strijd met de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. De minister heeft nagelaten om hem bij de uitreiking van het bestreden besluit schriftelijk, in een taal die hij begrijpt, op de hoogte te brengen van de gronden van de bewaring, de openstaande rechtsmiddelen en het recht op rechtsbijstand.
7. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier inderdaad niet blijkt dat de minister de voorschriften van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb, in acht heeft genomen. Eiser is niet schriftelijk, in voor hem begrijpelijke taal geïnformeerd over de redenen van zijn inbewaringstelling. Daarom is er sprake van een gebrek bij oplegging van de maatregel. Dit gebrek maakt de inbewaringstelling echter pas onrechtmatig, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt in dat verband dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en in het bijzijn van een tolk is meegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Dit blijkt ook uit het proces verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring. Ook is hem meegedeeld dat hij recht heeft op consulaire bijstand. Verder heeft hij gebruik gemaakt van gratis rechtsbijstand en is namens hem tijdig beroep ingesteld. Uit de stukken blijkt ook dat aan eiser de informatiefolder over de bewaring in de Engelse taal is uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank is het geconstateerde gebrek niet dermate ernstig, dat dit dient te prevaleren boven de belangen van de minister bij handhaving van het bestreden besluit. Dit geldt ook voor de (stapeling van de) twee geconstateerde gebreken samen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
1. ECLI:NL:RVS:2024:2254.
Gronden van de maatregel van bewaring
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
9. De rechtbank stelt vast dat de zware en lichte gronden door eiser niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Uiterste overdrachtsdatum
10. Eiser stelt dat de uiterste datum voor zijn overdracht aan Duitsland in de Dublinprocedure, ten onrechte met de brief van 10 september 2024 is verlengd, omdat eiser niet met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser heeft de post voor de vertrekgesprekken niet ontvangen en is uit de opvang weggegaan omdat het daar te warm was. Toen hij twee weken later terug kwam was hij niet meer welkom. Eiser stelt dat als de uiterste overdrachtsdatum ten onrechte is verlengd, de uiterste overdrachtsdatum is verstreken en hij dus geen Dublinclaimant meer is en niet op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring kon worden gesteld.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister er vanuit mocht gaan dat eiser nog steeds een Dublinclaimant is en op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring mocht worden gesteld. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen de verlenging van de uiterste overdrachtsdatum. In deze procedure staat verder niet ter beoordeling of het besluit tot verlenging van de uiterste overdrachtsdatum rechtmatig is genomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
12. Eiser stelt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door te vroeg een overdracht aan Duitsland te plannen. De voor 14 oktober 2024 geplande overdracht is door de Duitse autoriteiten niet akkoord bevonden. De minister heeft zich niet aan de afgesproken termijnen voor een overdracht gehouden, door na drie dagen bewaring al een overdracht aan
te kondigen voor 14 oktober 2024. Volgens eiser had de minister de afgesproken tien dagen moeten wachten. Omdat Duitsland het overdrachtsverzoek nu heeft afgewezen moet een nieuwe datum worden gepland waardoor de bewaring langer zal duren dan noodzakelijk is.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend en zorgvuldig werkt aan de overdracht van eiser. In het claimakkoord van Duitsland (processtuk 24) staat op pagina 2 dat de aankondiging van de overdracht minimaal drie dagen van te voren moet zijn.
Conclusie
17. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 oktober 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.