Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:17351
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,172 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1952
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 31 januari 2024.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
1. Bij besluit van 22 mei 2023 heeft verweerder -voor zover hier van belang- eisers uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) per 1 februari 2023 gewijzigd naar de norm voor gehuwden en de toegekende Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) ingetrokken.
2. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen uitkeringsspecificaties over de maanden mei, juni en juli 2023. Verweerder heeft bij het bestreden besluit aan eiser bericht dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld. Tegen een betaling van de AOW is geen bezwaar mogelijk, omdat het geen beslissing betreft, aldus verweerder.
3. Eiser voert aan dat er geen reden was om zijn AOW-uitkering te verlagen. Hij heeft daardoor een te laag inkomen.
4.1.
In de Awb staat dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt. Als er geen sprake is van een besluit, moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.2.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de uitkeringsspecificaties waar eiser bezwaar tegen heeft gemaakt geen besluit zijn in de zin van de Awb. De rechtbank moet beoordelen of het juist is wat verweerder zegt.
4.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de hoogste rechter in zaken over onder andere de AOW) ligt aan elke betaling van uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan echter niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Dan is in het algemeen sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de uitbetaling van de AOW-uitkering volgens de uitkeringsspecificaties van mei, juni en juli 2023 een wijziging brengt in de uitkeringsvaststelling op grond van het besluit van 22 mei 2023. De specificaties zijn slechts een herhaling van dat besluit van 22 mei 2023. Daarmee zijn de betreffende uitkeringsspecificaties niet op rechtsgevolg gericht en geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Wat verweerder in het bestreden besluit heeft gezegd, is daarom juist. Verweerder heeft het door eiser gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:CRVB:2014:2313