Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:17247
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,830 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/153
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. L.E.C. Neve),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
(gemachtigde: H. den Besten- van der Elst).
Procesverloop
Met het besluit van 30 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 27 mei 2022.
Met het besluit van 14 december 2022 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2024. Hierbij was de gemachtigde van verweerder aanwezig.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiseres ontvangt sinds 16 april 2015 een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Met ingang van 1 april 2022 heeft eiseres zich uitgeschreven als inwoner van de gemeente Den Haag. Per dezelfde datum heeft ze zich ingeschreven in de gemeente Westland. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft per 1 april 2022 de bijstandsuitkering van eiseres beëindigd. Op 27 mei 2022 heeft eiseres een bijstandsuitkering aangevraagd bij de gemeente Westland.
2. Met het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft verweerder bijstand toegekend met ingang van 27 mei 2022. Verweerder heeft geweigerd bijstand toe te kennen met ingang van 1 april 2022 omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die dat rechtvaardigen.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met dit besluit. In beroep voert zij aan dat ze in de veronderstelling verkeerde dat haar uitkering na haar verhuizing automatisch zou doorlopen. Pas eind april kwam zij erachter dat dit niet het geval was. Vanwege de onrustige tijd rondom de verhuizing is zij toen vergeten meteen een nieuwe aanvraag in te dienen bij verweerder. Volgens eiseres getuigt het niet toekennen van bijstand met terugwerkende kracht van hardheid met ernstige nadelige gevolgen voor haar.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw wordt bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.2.
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zodanige omstandigheden kan sprake zijn als vast komt te staan dat de belanghebbende al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, dan wel in het geval dat is gebleken dat eerder op enigerlei wijze actie in de richting van verweerder is ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Nu het gaat om een uitzondering op de wettelijke hoofdregel, ligt het op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat de daartoe vereiste bijzondere omstandigheden zich voordoen.
4.3.
Vaststaat dat eiseres zich niet eerder dan 27 mei 2022 bij verweerder heeft gemeld om een bijstandsuitkering aan te vragen, zodat het recht op bijstand in beginsel niet eerder dan per die datum bestaat.
4.4.
Anders dan eiseres heeft aangevoerd is in haar situatie geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Dat eiseres niet wist dat zij bij verhuizing naar een andere gemeente opnieuw een aanvraag voor bijstand moest indienen, is geen bijzondere omstandigheid zoals hier bedoeld. De omstandigheid dat eiseres door drukte rondom de verhuizing is vergeten zich op een eerder moment te melden bij verweerder komt ook voor rekening van eiseres. Het behoort namelijk tot haar eigen verantwoordelijkheid om tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen of zich tot verweerder te wenden voor nadere informatie. De stelling van eiseres dat zij en haar drie minderjarige kinderen voor levensonderhoud afhankelijk zijn van de bijstand, dat zij door het besluit van verweerder ruim € 2.000,- is misgelopen en bovendien dubbele woonkosten heeft gehad in verband met de verhuizing, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak is het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is.
5. Ten aanzien van het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat de wetgever in artikel 44, eerste lid, van de Pw bewust de keuze heeft gemaakt de ingangsdatum te bepalen op de dag dat het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Voor een belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel biedt artikel 44, eerste lid, van de Pw geen ruimte. Voor zover verweerder in het bestreden besluit toch tot een belangenafweging is overgegaan, is de rechtbank niet gebleken dat deze onevenwichtig is.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ingangsdatum van de bijstandsuitkering 27 mei 2022 blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr.F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1454.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1319.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:66.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:834.