Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:17139
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,366 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.39552 en NL24.39590
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft verweerder tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd, dat tevens een inreisverbod inhoudt voor de duur van twee jaar (bestreden besluit 1). Op dezelfde dag heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd (bestreden besluit 2).
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Blaauw, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Filipijnse nationaliteit te hebben.
Over bestreden besluit 1
2. Eiseres voert aan dat het inreisverbod een motiveringsgebrek bevat. Er is namelijk geen afweging gemaakt over het al dan niet uitvaardigen van het inreisverbod nadat eiseres haar zienswijze over het inreisverbod heeft gegeven.
3. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Tegen eiseres is een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij verweerder heeft besloten een vertrektermijn te onthouden op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft aangewend tegen het onthouden van een vertrektermijn. Nu verweerder een vertrektermijn heeft kunnen onthouden, was hij vervolgens gehouden om op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw een inreisverbod uit te vaardigen. Daarnaast is niet gesteld of gebleken van humanitaire of andere redenen op basis waarvan verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Verweerder was dan ook niet gehouden tot het maken van een (belangen)afweging bij het uitvaardigen van het inreisverbod.
Over bestreden besluit 2
4. Eiseres heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Gelet hierop was verweerder bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5. Als zware gronden staat daartoe in de maatregel vermeld dat eiseres:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot haar identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
6. Verweerder heeft ter zitting zware grond 3e laten vallen.
7. Eiseres heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor de gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het genoemde risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiseres onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond. Omdat het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond wordt verklaard, wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.