Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:17128
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20400
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer 2], eiser
hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).
Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 15 april 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor mvv’s in het kader van nareis kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eisers stellen te zijn geboren op [datum] 1967 respectievelijk [datum] 1977. Zij stellen de ouders te zijn van [referent] (referent) en willen bij hem in Nederland verblijven. Referent is sinds 17 oktober 2018 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel.
2. Referent heeft voor het eerst op 14 januari 2019 voor eisers een aanvraag ingediend voor mvv’s in het kader van nareis. Deze aanvraag is bij besluit van 5 maart 2019 afgewezen door verweerder, omdat verweerder referent niet aanmerkt als een alleenstaande minderjarige in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Referent heeft als minderjarige op 22 augustus 2016 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland, maar bij zijn opvolgende asielaanvraag – die tot de vergunningverlening heeft geleid – was hij meerderjarig. Op 16 februari 2022 hebben eisers een verzoek om een bestuurlijke heroverweging ingediend. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en het gemaakte bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het door eisers ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.
3. Op 19 mei 2022 heeft referent een opvolgende aanvraag ingediend voor mvv’s voor eisers. Bij besluit van 15 juli 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder die aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat eisers geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb hebben aangevoerd. Eisers hebben aangevoerd dat referent als minderjarig moet worden beschouwd, maar dat hadden zij al eerder naar voren kunnen brengen. Verweerder heeft zijn standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.
4. Eisers voeren aan dat verweerder referent als minderjarige had moeten beschouwen. Hij was namelijk bij zijn binnenkomst in Nederland als minderjarige al vluchteling, gelet op het declaratoire karakter van het vluchtelingschap. Dat hij bij zijn tweede asielaanvraag meerderjarig was, doet daar niet aan af. Eisers doen in dat kader ook een beroep op het arrest B.M.M. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en WI 2024/4. Verder voeren eisers aan dat verweerder niet heeft onderkend dat hij, in het geval dat referent niet als minderjarig hoefde te worden beschouwd, de aanvraag aan de hand van artikel 8 van het EVRM en het jongvolwassenenbeleid had moeten beoordelen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Griffierecht
5. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door eisers overgelegde formulier hebben zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 27 december 2018, volgt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een – hernieuwde – toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten, dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat eisers hebben aangevoerd over de leeftijd van referent hebben zij, zoals verweerder heeft overwogen, namelijk al eerder naar voren kunnen brengen. In de eerste mvv-procedure was immers ook de leeftijd van referent aan de orde. De besluitvorming over de eerste mvv-aanvraag van eisers staat in rechte vast. Dat referent naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag, die hij heeft ingediend als meerderjarige, is erkend als vluchteling, maakt niet dat hij reeds vanaf het moment van de eerste asielaanvraag moet worden aangemerkt als vluchteling. De rechtbank verwijst hierbij naar de onder 2 aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 april 2023.
9. Het beroep van eisers op het arrest B.M.M. leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in het geval van eisers, was in die zaak sprake van een situatie waarbij de referent gedurende zijn asielprocedure meerderjarig werd. In het geval van referent staat vast dat hij bij het indienen van zijn tweede asielaanvraag meerderjarig was. Het arrest B.M.M. is dan ook onvoldoende vergelijkbaar met de zaak van eisers.
Artikel 8 van het EVRM
10. Nu uit het voorgaande blijkt dat verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft kunnen afwijzen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt toegekomen aan een beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM en het jongvolwassenenbeleid.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 oktober 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Machtigingen tot voorlopig verblijf.
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003.
Zaaknummer NL22.15530.
Algemene wet bestuursrecht.
Arrest van 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:577.
Werkinstructie.
Verdrag van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2018:4250.