Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:16982
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,369 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2343
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
geboren op [geboortedatum],
[naam],
geboren op [geboortedatum],
[naam],
geboren op [geboortedatum],
[naam],
geboren op [geboortedatum],
[naam],
geboren op [geboortedatum],
allen van Syrische nationaliteit,
v-nummers: [nummers],
tezamen: verzoekers,
(gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid, de minister.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 16 juni 2023 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
Nadat verzoekers de minister op 15 december 2023 in gebreke hadden gesteld, hebben verzoekers op 4 januari 2024 beroep ingediend vanwege het niet tijdig beslissen op hun aanvraag (NL24.440).
Verzoekers hebben op 21 januari 2024 nogmaals beroep ingediend vanwege het niet tijdig
beslissen op hun aanvraag (NL24.2343).
Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 24 januari 2024 het beroep van 4 januari 2024 gegrond verklaard, de minister opgedragen binnen 8 weken alsnog te beslissen op de aanvraag van verzoekers en een dwangsom opgelegd.
Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 21 januari 2024 eveneens gegrond verklaard, de minister opgedragen binnen 8 weken alsnog te beslissen op de aanvraag van verzoekers en een dwangsom opgelegd.
De minister heeft tegen de uitspraak van 16 april 2024 verzet ingesteld. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit verzet bij uitspraak van 3 september 2024 gegrond verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 16 april 2024 vervalt en deze rechtbank en zittingsplaats het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
De minister heeft op 15 juli 2024 een besluit genomen op de aanvraag van verzoekers. Verzoekers hebben vervolgens op 4 oktober 2024 het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht de minister te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.
De minister heeft op 3 oktober 2024 en 16 oktober 2024 en verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verzoekers hebben op 4 januari 2024 een eerste beroep tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag ingediend (NL24.440). Op 21 januari 2024 hebben verzoekers een tweede beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag (NL24.2343). Deze uitspraak betreft het beroep van 21 januari 2024.
4. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of verzoekers procesbelang hebben bij een beoordeling van hun tweede beroep. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dit procesbelang. Ten tijde van het instellen van dit beroep liep er immers nog een eerste beroep wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 16 juni 2023. Aangezien de rechtbank niet twee keer kan beslissen op een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van eenzelfde besluit, is dit tweede beroep niet-ontvankelijk. Een tweede beroep niet tijdig beslissen kan pas worden ingediend, nadat in het eerste beroep niet tijdig beslissen uitspraak is gedaan en de dwangsom naar aanleiding van het eerste beroep niet tijdig beslissen volledig is volgelopen.
5. Nu er geen sprake was van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.