Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:16769
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
1,827 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/7025 en SGR 24/6946
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college
(gemachtigde: mr. A.D. Bouwman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijfsnaam] B.V., te [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. C. van Deutekom).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het beroep en op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van 29 woningen op het adres [adres 1] en [adres 2] in Schoonhoven.
Het college heeft met het besluit van 22 maart 2024 de omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 24/6946) en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen (zaaknr. SGR 24/7025).
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
Vergunninghoudster heeft nadere stukken overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door
[naam 1] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 2] .
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Omdat de voorzieningenrechter tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Eiseres voert aan dat (1) in het voortraject onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden, (2) het bouwplan tot aantasting van haar woon- en leefklimaat zal leiden vanwege de bouwhoogte en (3) het bouwplan stedenbouwkundig niet inpasbaar is.
Participatie
4. Het betoog van eiseres dat er onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden volgt de voorzieningenrechter niet. Ten eerste is participatie niet een verplicht onderdeel voor vergunningverlening onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die in dit geval nog van toepassing is. Ten tweede constateert de voorzieningenrechter dat er van de kant van vergunninghoudster wel degelijk aanpassingen zijn gedaan aan het bouwplan naar aanleiding van de wensen van omwonenden. Ook naar aanleiding van de wensen van bewoners van gebouw [gebouw] , waar eiseres woont. Zo staat in de massastudie dat op verzoek van de bewoners van [gebouw] de bebouwing op grotere afstand van [gebouw] is geplaatst en dat een vrijstaande woning aan het water is komen te vervallen.
Woon- en leefklimaat
5. De stelling dat er sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- leefklimaat voor eiseres volgt de voorzieningenrechter evenmin. De meest nabijgelegen woningen komen op een afstand van 28 meter van de woning van eiseres. De woningen worden weliswaar 12,84 meter hoog en zullen tot gevolg hebben dat haar uitzicht verandert en gedeeltelijk afneemt, maar dit betekent niet zonder meer dat dan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Gelet op de aanzienlijke afstand en gezien de toezegging van vergunninghoudster dat met groenvoorzieningen ervoor zal worden gezorgd dat de gevels van het bouwplan deels aan het zicht worden onttrokken, is geen sprake van een situatie die niet aanvaardbaar is. Daarbij geldt er geen recht bestaat op vrij uitzicht en ook dat sprake is van een stedelijke omgeving, waarbij zicht op andere woningen er bij hoort. De voorzieningenrechter begrijpt dat eiseres dit niet leuk vindt, maar van een onaanvaardbare aantasting van haar woon- en leefklimaat is geen sprake.
Stedenbouwkundige inpassing
6. De beroepsgrond dat de bebouwing vanwege de hoogte stedenbouwkundig niet zou passen slaagt evenmin. Het college heeft in de verrichte massastudie uitvoerig gemotiveerd waarom de bebouwing in de omgeving past. Daarbij is aandacht besteed aan de historische hoofdstructuur van de Spoorsingel, het behouden van zichtlijnen en de aansluiting op de bestaande bebouwing. In het bestreden besluit is naar deze studie verwezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten waarom het college niet van deze studie zou mogen uitgaan. Dat de bebouwing hoger wordt dan bebouwing in de omgeving betekent niet automatisch dat dit niet past. Bovendien is er door vergunninghoudster op gewezen dat er in de omgeving al verschillende gebouwen zijn met vergelijkbare bouwhoogten.
Conclusie
7. Gezien het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen juridische gebreken in het bestreden besluit.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat het bestreden besluit standhoudt en van de omgevingsvergunning gebruik mag worden gemaakt.
9. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2024 door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.