Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:15740
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,687 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], geboren op [datum], van Syrische nationaliteit, eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B.H. Werink)
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de afwijzing van eisers aanvraag om verlenging van deze verblijfsvergunning.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.1.
Op 10 april 2024 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht richt het beroep zich ook tegen het aanvullende besluit.
2.2.
Eiser heeft naar aanleiding van het aanvullende besluit nadere beroepsgronden ingediend.
2.3.
De minister heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een videoverbinding), de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser heeft op 14 december 2010 in Nederland asiel aangevraagd. Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft de minister eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
5. Op 19 april 2021 heeft de minister het voornemen uitgebracht om de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 15 juni 2013 in te trekken, omdat eiser op 4 december 2015 in Duitsland is veroordeeld tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wegens poging tot vrijheidsontneming, mishandeling en belaging, gepleegd in de periode van 15 juni 2013 tot 10 augustus 2015 in Duitsland.
6. Eiser heeft een zienswijze ingediend. De minister heeft eiser op 22 juni 2022 gehoord.
7. Op 18 augustus 2022 heeft eiser verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning asiel. Op 8 september 2022 heeft de minister eiser laten weten voornemens te zijn deze verlengingsaanvraag af te wijzen. Eiser heeft hierover zijn zienswijze ingediend.
8. In het bestreden besluit heeft de minister de verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken met ingang van 15 juni 2013 en de verlengingsaanvraag van eiser afgewezen. De minister heeft eiser daarbij ook ongewenst verklaard. De minister vindt dat eiser een gevaar is voor de openbare orde. Eiser heeft namelijk een strafblad dat de norm van 18 maanden aan relevante straffen overschrijdt. Eiser heeft een misdrijf gepleegd dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap vormt. Eiser vormt door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister mocht afgaan op de strafmaatvergelijking van het OM, omdat dit een deskundigenadvies is dat op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier is opgesteld. De minister heeft eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM verleend. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan de belangen van eiser om in Nederland familie- of privéleven te mogen hebben.
9. In het aanvullende besluit van 10 april 2024 heeft de minister de ongewenstverklaring van eiser ingetrokken. Wel heeft de minister een besluit tot signalering voor de duur van tien jaren genomen. De minister heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser evenredig is gelet op het doel, de geschiktheid en noodzakelijkheid van de intrekking. De intrekking van de verblijfsvergunning is volgens de minister bovendien niet onredelijk bezwarend voor eiser. Tot slot heeft de minister met betrekking tot artikel 8 van het EVRM op grond van een uitspraak van het EHRM in de zaak Azzaqui een nieuwe belangenafweging gemaakt.
Beoordeling
10. De rechtbank beoordeelt de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de verlengingsaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
11. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De strafmaatvergelijking
Wat vindt eiser?
12. Eiser vindt dat de strafmaatvergelijking niet klopt. Volgens eiser is het oordeel van het OM niet begrijpelijk en inzichtelijk. Uit het vonnis van de Duitse rechter blijkt dat deze ervan uit is gegaan dat eiser volledig ontoerekeningsvatbaar was, aangezien er geen straf is opgelegd maar plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is bevolen. Dat betekent volgens eiser dat ook de Nederlandse rechter helemaal geen straf zou hebben opgelegd, maar uitsluitend tbs of plaatsing in een psychiatrische kliniek. Volgens eiser kan ook de Nederlandse rechter oordelen dat iemand volledig ontoerekeningsvatbaar is, ook als uit een rapportage van een deskundige niet onomstotelijk blijkt dat iemand volledig ontoerekeningsvatbaar is. Het OM gaat er bij de strafmaatvergelijking ten onrechte vanuit dat dat niet kan. Daarbij is volgens eiser van belang dat de Duitse rechter naast het psychiatrisch rapport ook het gedrag en de verklaringen van eiser op de zitting heeft betrokken bij het oordeel.
Wat vindt de minister?
13. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij mag uitgaan van de juistheid van de strafmaatvergelijking, omdat dit een deskundigenbericht is. Naar aanleiding van de zienswijze is het OM om een nadere toelichting gevraagd. Daarin wordt aangegeven dat eiser naar Nederlandse maatstaven verminderd ontoerekeningsvatbaar was. Het OM heeft duidelijk aangegeven waarom naast de tbs-maatregel ook gekozen is voor een relatief korte gevangenisstraf. Uit het vonnis van de Duitse rechter blijkt volgens de minister dat eiser verminderd toerekeningsvatbaar is geacht. Uit de informatie van het OM blijkt volgens de minister dat dit voor de Duitse rechter aanleiding is geweest om geen gevangenisstraf op te leggen, maar dat dit voor de Nederlandse rechter wel degelijk aanleiding zou zijn om (ook) een gevangenisstraf op te leggen. Volgens de minister is sprake van een verschil in hoe de Duitse rechter de mate van toerekenbaarheid bij zijn beoordeling betrekt en hoe de Nederlandse rechter met een dergelijke psychiatrische constatering omgaat.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
14. De strafmaatvergelijking van een buitenlands vonnis is een deskundigenadvies aan de minister. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de minister, als hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ervan vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is.
15. De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze beroepsgrond uit van het volgende.
15.1.
Uit het WETS-verzoek van 2 september 2020 blijkt dat het OM een strafmaatindicatie heeft gegeven bestaande uit een gevangenisstraf van drie jaar en een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor de door eiser gepleegde strafbare feiten. Daarbij is uitgegaan van een strafmaximum voor de gepleegde feiten naar Nederlands recht van acht jaar.
15.2.
In het voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning van 19 april 2021 overweegt de minister dat het strafmaximum van acht jaar in de strafmaatindicatie bij het WETS-verzoek niet correct is. De strafbedreiging is volgens de minister vijf jaar en vier maanden.
15.3.
De minister heeft naar aanleiding van de zienswijze het OM om verduidelijking van de strafmaatvergelijking gevraagd. Het OM heeft naar aanleiding daarvan het volgende laten weten:
‘Het OM heeft destijds gekozen voor een relatief korte gevangenisstraf en een tbs-maatregel met verpleging, omdat uit het psychiatrisch rapport bleek dat de veroordeelde naar Nederlandse maatstaven verminderd toerekeningsvatbaar was. Over het algemeen wordt in Nederland bij een verminderde of sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid naast de tbs-maatregel ook een gevangenisstraf opgelegd. Alleen bij een volledige ontoerekeningsvatbaarheid wordt geen gevangenisstraf opgelegd. De Duitse rechter heeft bij zijn beoordeling andere maatstaven toegepast dan in Nederland gebruikelijk zijn.’
15.4.
Op 18 juli 2023 heeft de minister het OM nogmaals om nadere informatie over de strafmaatvergelijking verzocht. De minister vermeldt daarbij het volgende:
‘De kans is groot dat de rechter naar aanleiding van de aanvulling nog met een aantal vragen komt, waaronder:
Wat zijn de verschillende wettelijke maatstaven tussen Duitsland en Nederland?
En waardoor komt Duitsland dan tot volledig ontoerekeningsvatbaar terwijl Nederland tot verminderd toerekeningsvatbaar komt?
Uit welk psychiatrisch rapport bleek dat betrokkene naar Nederlandse maatstaven verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn geweest?
Het lijkt mij goed om bovengenoemde vragen te verduidelijken, zodat zowel wij als de rechtbank het verschil van toetsing, en doordoor ook het verschil in uitkomst, beter begrijpen. Dit is van belang aangezien wij de verblijfsvergunning van betrokkene hoogstwaarschijnlijk niet kunnen intrekken op het moment dat hij ook in Nederland volledig ontoerekeningsvatbaar zou zijn verklaard.’
15.5.
De minister heeft op 17 augustus 2023 naar aanleiding van het verzoek om nadere informatie een reactie van het OM ontvangen. Daarin staat onder andere het volgende:
‘De criteria voor de oplegging komen behoorlijk overeen. Samengevat: in beide landen dient sprake te zijn van gedeeltelijk of volledige ontoerekeningsvatbaarheid vanwege een stoornis waarbij sprake is van gevaar voor de maatschappij. Bij een gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaarheid kan zowel in Nederland als in Duitsland een gevangenisstraf worden opgelegd naast de maatregel.’
‘Uit het Duitse psychiatrische rapport (Seite 19/20) is af te leiden dat de veroordeelde als
gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar beschouwd kan worden, terwijl een volledige
ontoerekeningsvatbaarheid ook niet uitgesloten kan worden.
Uit het Duitse vonnis (Seite 16 e.v. en Seite 21 e.v.) leid ik niet heel duidelijk af dat betrokkene naar Duits recht geheel ontoerekeningsvatbaar is verklaard (zoals de IND stelt). Het lijkt er meer op dat de Duitse rechter uitgegaan is dat het feit verminderd toegerekend kan worden waarbij ook volledig ontoerekenbare dader niet is uitgesloten volgens de rechtbank.
De indicatie is dan dat naar Nederlands recht zeer waarschijnlijk het oordeel verminderd
toerekenbaar was geweest, waarbij een gevangenisstraf naast een tbs-maatregel passend zou zijn geweest.
Als het voorgaande verschil cruciaal is voor de IND (en zo lijkt het wel) dan is mijn advies zijn om het psychiatrisch rapport en vonnis door een beëdigd vertaler te laten vertalen in het Nederlands. Relevante nuances kunnen dan beter naar voren komen omdat mijn beheersing van het Duits beperkt is.
’
16. De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zich terecht op het standpunt gesteld dat de minister met betrekking tot de strafmaatvergelijking niet zonder meer van het rapport van het OM mocht uitgaan.
Conclusie
18. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank draagt de minister op om een nieuw besluit op de aanvraag tot verlenging te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
19. De rechtbank veroordeelt te minister in proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag tot verlenging met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.
Openbaar Ministerie.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Europees Hof voor de rechten van de mens.
Uitspraak van het EHRM van 30 mei 2023, zaaknummer 8757/20.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juni 2012, ECLI:NL:RVS:BW9130.
Wet Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.
Zie brief van 18 mei 2022 van de minister aan de gemachtigde van eiser.