Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:15727
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,800 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.3143 en NL24.29838
uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Beket ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buiten behandelingstelling van zijn aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 september 2023 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 12 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, A. Boussel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag gedaan voor uitstel van vertrek omdat hij vanwege zijn gezondheidstoestand niet kan reizen. Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag incompleet was.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat er voldoende medische informatie is overgelegd om de aanvraag in behandeling te nemen en dat hem uitstel van vertrek had moeten worden verleend. Bij de aanvraag heeft eiser weliswaar zijn huisarts als behandelaar vermeld, maar die verrichtte geen behandeling. Dit had verweerder uit de GGZ stukken kunnen opmaken, nu daaruit bleek dat de GGZ de daadwerkelijke behandelaar was. Het had verweerder duidelijk kunnen zijn dat de huisarts verder geen (nadere) informatie had kunnen aanleveren. Verweerder had dus met de GGZ stukken voldoende informatie om door te kunnen sturen aan het BMA en de aanvraag in behandeling te kunnen nemen, aldus eiser. Verder is bij verweerder bekend dat het voor patiënten lastig is om steeds nieuwe informatie bij hun behandelaren te krijgen, omdat deze overbelast zijn. Dat blijkt ook uit de brief van de GGZ. Verweerder werpt hiermee onnodig formele obstakels op. De besluitvorming is daarom volgens eiser onzorgvuldig, ondeugdelijk en gebrekkig gemotiveerd. Eiser doet ook een beroep op de hoorplicht en verwijst daarbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De beroepsgronden van eiser slagen niet. Dat legt de rechtbank hieronder uit.
5.1
De rechtbank overweegt dat het in eerste instantie aan eiser is om zijn aanvraag met stukken te onderbouwen. Verweerder stelt daarvoor de benodigde formulieren ter beschikking en beoordeelt of de aanvraag compleet is, zodat het BMA om advies gevraagd kan worden. Eiser heeft bij zijn aanvraag op 6 juli 2023 zelf zijn huisarts als behandelaar opgegeven. Uit de toepasselijke beleidsregels blijkt dat de opgegeven behandelaren de vragen in het formulier moeten beantwoorden, zodat het BMA onderzoek kan doen. Nu dit formulier niet door de huisarts is ingevuld, heeft verweerder op 10 juli 2024 herstel verzuim geboden tot 24 juli 2023 om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Verweerder heeft daarna op verzoek van gemachtigde tot 24 augustus 2024 uitstel gegeven en er daarbij op gewezen dat de GGZ informatie gedurende deze periode zou verouderen en dus vernieuwd moest worden. Op geen van die momenten heeft eiser aangegeven dat de aanvraag volgens hem behandeld kon worden zonder de gegevens van de huisarts, omdat hij geen behandelaar zou zijn. Het betoog dat verweerder dit zelf uit de GGZ stukken had kunnen afleiden, slaagt niet. Verweerder is immers geen medisch deskundige en eiser heeft zelf zijn huisarts als behandelaar opgegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende ruimte heeft gegeven voor het aanvullen van de aanvraag. Dat eiser heeft nagelaten de gevraagde bewijsmiddelen te overleggen dan wel aan te vullen, komt voor rekening van eiser. Er was daarom na het geboden uitstel ook geen actuele informatie die verweerder had kunnen doorsturen aan het BMA. Verweerder mocht dus concluderen dat de aanvraag niet compleet was. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag buiten behandeling kon worden gesteld.
5.2
De beroepsgrond dat eiser gehoord had moeten worden slaagt evenmin. Van het horen in bezwaar mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat dit hier het geval is. Verweerder heeft in het primaire besluit immers gemotiveerd dat het aan eiser is om zijn behandelaren op te geven met daarbij de juiste informatie. Nu hij meermaals in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen en dit heeft nagelaten, was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander standpunt. Gelet hierop heeft verweerder mogen afzien van het horen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep. Daarmee is geen sprake meer van de vereiste connexiteit.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.S. Clerx, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen verzet of hoger beroep mogelijk.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Bureau Medische Advisering.
Zie voor de aanvraagprocedure paragraaf A3/7.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zie paragraaf A3/7.2.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.