Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-10-03
ECLI:NL:RBDHA:2024:15719
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,439 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7593
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon [minderjarige], uit [woonplaats] , eiser,
en
Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder
(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).
Inleiding
Bij besluit van 31 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.
Bij besluit van 9 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling
1. Op 7 april 2023 heeft eiser een aanvraag gedaan voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ten behoeve van zijn zoon [minderjarige] , geboren [geboortedatum] 2015. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat bij [minderjarige] sprake is van de grondslagen psychische stoornis en verstandelijke handicap. Ondanks deze grondslagen staat de toegang tot de Wlz niet vast. Niet ter discussie staat dat nu een noodzaak bestaat tot 24 uur uur per dag zorg in de nabijheid. Er kan evenwel volgens verweerder geen uitspraak worden gedaan over de blijvende (levenslange) noodzaak tot 24 uur zorg per dag in de nabijheid, zoals bedoeld in de Wlz. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het advies van medisch adviseur [naam] van 30 mei 2023 ten grondslag gelegd.
3. Eiser heeft op 21 november 2023 opnieuw een Wlz-aanvraag betreffende zijn zoon [minderjarige] gedaan. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 29 januari 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 januari 2014. Bij besluit van 3 juni 2024 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit onherroepelijk is. Dit betekent dat een oordeel van de rechtbank in de onderhavige beroepsprocedure slechts betrekking kan hebben over een afgesloten periode in het verleden. De te beoordelen periode loopt in een geval als dit van de datum van de aanvraag van eiser tot en met de datum van het bestreden besluit. In dit geval is dat de periode 7 april 2023 tot en met 9 oktober 2023.
4. Uit vaste rechtspraak volgt dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van zijn aanvraag om een Wlz-indicatie. Niet is gebleken dat, gelet op het hiervoor genoemde onherroepelijke besluit van 3 juni 2024, het aannemelijk is dat een inhoudelijk oordeel nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Uit de afwijzing van de nieuwe aanvraag van eiser volgt namelijk dat er geen belang is bij een beoordeling van het bestreden besluit met het oog op de aanspraken van eiser op een Wlz-indicatie voor een periode die op de in deze zaak te beoordelen periode aansluit. Verder is niet gebleken van eventuele schade. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen belang heeft bij zijn beroep.
6. Het beroep is niet ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.