Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:1571
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,211 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1665
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser stelt in beroep dat hij geen asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. Hem is verteld dat hij daar enkel vingerafdrukken moest geven om te controleren of hij zich schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. Hij voelt zich dan ook misleid door de Duitse autoriteiten en heeft geen vertrouwen in een correcte inhoudelijke beoordeling van zijn asielrelaas. Hij meent dat klagen in Duitsland zinloos is, gelet op de daar voorkomende discriminatie en achterstelling van vreemdelingen. Nederland moet zijn asielaanvraag inhoudelijk behandelen vanwege de discriminatie in Duitsland, zijn medische problemen en de toekomstige mogelijkheden voor nareis van zijn familie.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan.
5. Duitsland is op grond van de Eurodac-verordening verplicht om illegale vreemdelingen die het grondgebied van de lidstaten binnenkomen te registreren. Voor zover eiser van mening is dat de Duitse autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld, of hem verkeerd of onjuist geïnformeerd hebben over de gevolgen van het afgeven van vingerafdrukken, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Daargelaten dat eiser zijn medische problemen niet heeft onderbouwd, geldt dat er geen aanwijzingen zijn dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Duitsland heeft dezelfde medische voorzieningen als Nederland en niet is gebleken dat zij eiser geen medische hulp kunnen bieden. Verder mag verweerder ervan uitgaan dat Duitsland zich houdt aan de Europese regelgeving, waaronder de Gezinsherenigingsrichtlijn. Eiser kan dus in Duitsland ook gezinshereniging aanvragen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om de behandeling van de asielaanvraag van eiser alsnog aan zich te trekken.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening nr. (EU) 604/2013.
Richtlijn 2003/86/EG.