Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:15535
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
986 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.23498
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[opposante]
, V-nummer: [V-nummer] , opposante (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
In de uitspraak van 10 oktober 2023 heeft de rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaard en verweerder in de proceskosten van opposante veroordeeld. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Overwegingen
Ten aanzien van het verzet
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 1 Hieronder legt de rechtbank dat uit.
2. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak op 10 oktober 2023 gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Tussen partijen is niet in geding dat het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat opposante met haar beroep wilde bereiken dat verweerder zou beslissen op de aanvraag en verweerder dit inmiddels heeft gedaan.
4. Opposante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank in de uitspraak van 10 oktober 2023 ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het betaalde griffierecht. De rechtbank volgt opposante in dit standpunt.
5. Het verzet is gegrond. Aangezien het verzet zich enkel richt tegen de onjuiste toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb, bestaat er geen aanleiding om de gehele uitspraak van 10 oktober 2023 vervallen te verklaren. De rechtbank zal de uitspraak alleen vervallen verklaren voor zover daarbij artikel 8:74, tweede lid, van de Awb onjuist is
1. Op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
toegepast. Daarnaast zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van het griffierecht, zoals bij een juiste toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb in de eerdere uitspraak had moeten gebeuren.
Conclusie
6. Het verzet is gegrond.
7. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder ook in de door opposante gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat opposante een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 437,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor van 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
verklaart de uitspraak van 10 oktober 2023 vervallen voor zover daarbij artikel 8:74 van de Awb onjuist is toegepast;
bepaalt dat verweerder het door opposante betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt;
veroordeelt verweerder tot betaling van de door opposante gemaakte proceskosten in verzet, tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van D.D. Bijlhout, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 september 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet.