Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:15205
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,585 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35799
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op
16 september 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 september 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 23 september 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Afghaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist in beroep alle zware en lichte gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat in de maatregel enkel de feitelijkheid van deze grond wordt benoemd, maar dat hier geen risico op onttrekking uit volgt. Eiser wijst erop dat hij een asielzoeker is, dus is het binnenkomen van Nederland op de voorgeschreven wijze meer uitzondering dan regel. Verder stelt eiser ten aanzien van de zware grond 3k nooit een overdrachtsbesluit te hebben ontvangen en hier ook niet van op de hoogte te zijn gesteld.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze zware gronden zich feitelijk voordoen.
6. Verweerder heeft terecht de zware grond 3a aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser is Nederland niet op de voorgeschreven wijze ingereisd, namelijk zonder in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en zonder geldig visum. Dat eiser een asielzoeker is en dat asielzoekers vaak niet beschikken over reisdocumenten, doet er niet aan af dat deze zware grond zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft zware grond 3a dan ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. De zware grond 3k is ook feitelijk juist. Dat eiser niet op de hoogte was van het overdrachtsbesluit van 9 juli 2024, wordt niet gevolgd. Eiser heeft immers rechtsmiddelen ingesteld tegen dit besluit, zoals blijkt uit het digitale dossier. Bij uitspraak van 19 augustus 2024 is het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het daaropvolgende hoger beroep is bij uitspraak van 11 september 2024 ook ongegrond verklaard. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.