Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:1484
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,455 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37281
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Talsma).
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd met ingang van 16 november 2022.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit.
2. Eiser heeft op 28 december 2021 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 26 januari 2022 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen, op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft geen beroep tegen dit besluit ingesteld. Bij brief van 9 november 2022 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij niet tijdig is overgedragen aan de autoriteiten van Oostenrijk en dat Nederland in beginsel verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Verder is meegedeeld dat eiser geen openstaande asielprocedure heeft en hij in de gelegenheid wordt gesteld om opnieuw een asielaanvraag in te dienen. Op 16 november 2022 heeft eiser zijn tweede asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd met ingang van 16 november 2022.
3. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel. Hij stelt dat verweerder de verblijfsvergunning had moeten verlenen met ingang vanaf 28 december 2021, te weten de datum van zijn eerste asielaanvraag. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 19 april 2023. Hij voert aan dat het onverenigbaar is met de Dublinverordening dat eiser na het verstrijken van de overdrachtstermijn een nieuwe asielaanvraag moet indienen. Ook volgt uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening dat de eerste lidstaat weer verantwoordelijk wordt voor de asielaanvraag. Volgens eiser heeft dit betrekking op zijn eerste asielaanvraag van 28 december 2021.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vw wordt een verblijfsvergunning asiel ingewilligd met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Doordat niet binnen één week beroep is ingesteld tegen het besluit van 26 januari 2022, is de eerste asielprocedure beëindigd en staat het besluit in rechte vast. Vastgesteld wordt dat het besluit van 26 januari 2022 niet door verweerder is ingetrokken. Eveneens wordt vastgesteld dat eiser geen verzoek om heroverweging van het besluit bij verweerder heeft ingediend. Verder heeft de enkele omstandigheid dat eiser niet is overgedragen binnen de uiterste overdrachtstermijn en hij vervolgens is opgenomen in de nationale procedure, niet tot gevolg dat het besluit is vervallen of op onjuiste gronden is genomen.
5. Met artikel 44, tweede lid, van de Vw is niet te verenigen dat bij een inwilligend besluit op een opvolgende asielaanvraag een verblijfsvergunning asiel met als ingangsdatum de datum van de eerdere, met toepassing van de Dublinverordening, afgewezen asielaanvraag kan worden verkregen. Voor verlening van een verblijfsvergunning asiel met ingang van een eerdere datum, bestaat dan ook geen wettelijke basis. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening lidstaten niet verplicht om de procedure te hervatten in de fase waarin die was gestaakt. De rechtbank volgt dus niet hetgeen is overwogen door zittingsplaats Roermond.
6. Gelet op artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 44, tweede lid, van de Vw heeft verweerder de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiser dan ook terecht bepaald op 16 november 2022.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:NL:RBDHA:2023:5570.
Verordening 604/2013.
Arrest van 17 maart 2016, zaak C-695/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:188, rechtsoverweging 64 tot 68.