Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:14829
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34437
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de Minster van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 14 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 12 juli 2024.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 september 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juli 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 9 juli 2024) rechtmatig is.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Daartoe stelt eiser dat hij ongeveer vier maanden in bewaring zit en er nog geen presentatie heeft plaatsgevonden. Er zijn slechts vier rappels gestuurd na de aanvraag voor een laissez-passer (lp). De Algerijnse autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd.
Volgens eiser volgt hieruit ook dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Eiser concludeert dat zijn belang om in vrijheid te worden gesteld zwaarder moet wegen dan het belang van de minister bij het voortduren van de bewaring. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 14 oktober 2023.
3.1.
De beroepsgronden slagen niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 14 juni 2024 een aanvraag voor een lp voor eiser heeft verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Hierop heeft de minister op 10 juli 2024, 30 juli 2024 en 22 augustus 2024 gerappelleerd. Verder heeft de minister op 7 augustus 2024, 8 augustus 2024, 22 augustus 2024 en 30 augustus 2024 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De rechtbank oordeelt dat de minister daarmee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt.
3.2.
De rechtbank overweegt verder dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat.Dat is ook zo overwogen in de uitspraak van 12 juli 2024 op eisers eerste beroep. Eiser heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dit – op dit moment – in zijn specifieke geval anders is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er nog geen reactie is gekomen vanuit de Algerijnse autoriteiten. Uit de voortgangsrapportage en het verslag van het vertrekgesprek op 8 augustus 2024 volgt immers dat eisers identiteit en nationaliteit is bevestigd wat betekent dat er op korte termijn een vlucht zal worden geboekt. Wel is het zo dat de consul hem eerst nog wil spreken en in persoon wil zien. Inmiddels staat er een presentatie gepland op 12 september 2024. Er bestaan op dit moment geen indicaties die erop wijzen dat er voor eiser geen lp zal worden afgegeven.
3.2.1.
Het beroep van eiser op de uitspraak van zittingsplaats Groningen slaagt niet, omdat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Anders dan in de zaak van eiser, duurde de bewaring in de zaak waarover de uitspraak gaat negen maanden. Verder was in die zaak sprake van concrete aanknopingspunten dat het Marokkaanse consulaat niet op korte termijn zou reageren of handelen. In eisers geval is er op dit moment geen sprake van concrete aanknopingspunten die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat zijn belang steeds zwaarder dient te wegen, naarmate de bewaring (langer) voortduurt. De zes maanden termijn dreigt ook overschreden te worden. Bovendien heeft eiser ook medische klachten, eiser heeft namelijk TBC. Eiser vindt het onbegrijpelijk waarom de minister niet kiest voor een lichter middel, zoals een meldplicht.
4.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van 12 juli 204, waar al is geconcludeerd dat in eisers geval sprake is van een risico op onttrekking. De minister heeft daarom terecht niet volstaan met een lichter middel. In de naar voren gebrachte medische omstandigheden van eiser ziet de rechtbank ook geen grond voor de conclusie dat volstaan zou moeten worden met oplegging van een lichter middel. In het detentiecentrum is een medische dienst aanwezig waartoe eiser zich kan wenden voor hulp bij zijn medische klachten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Vertrekgesprek van 22 augustus 2022
5. Eiser wijst er op dat in het verslag van het vertrekgesprek op 22 augustus 2024 staat dat de regievoerder stelt dat Algerije in algemene zin een veilig land van herkomst is. Volgens eiser is dat onterecht. Eiser loopt gevaar in Algerije. De Spaanse autoriteiten zijn ook in het bezit van documenten waaruit dit blijkt. Ook heeft eiser aangegeven dat er stukken onderweg zijn met betrekking tot zijn verblijfsrecht in Spanje. De minister houdt hier ten onrechte geen rekening mee, aldus eiser.
5.1.
De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt aan te voeren dat hij niet kan terugkeren naar Algerije, omdat hij daar gevaar loopt. Deze beroepsgrond slaagt niet. In deze procedure toetst de rechtbank namelijk de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel. De vraag of eiser veilig terug kan keren naar Algerije, ligt in deze procedure niet voor. Voor zover eiser bedoelt te betogen dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje, verandert dit het oordeel niet. Eiser heeft zijn verblijfsrecht namelijk niet onderbouwd.
Conclusie
6. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, ECLI:NL:RBDHA:2024:10873.
Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
ECLI:RBDHA:2023:16048.
De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.