Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:1479
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,149 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.36877
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met vooraf bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de aanvraag van eiser bij gebrek aan relevante verklaringen kon worden afgewezen als kennelijk ongegrond terwijl er geen nader gehoor heeft plaatsgehad.
Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat voor het kunnen trekken van de conclusie dat er geen relevante verklaringen zijn afgelegd een volledig onderzoek moet hebben plaatsgevonden en dat vereist in beginsel een nader gehoor. Onder omstandigheden kan er ook bij het niet verschijnen van een aanvrager voor een nader gehoor worden aangenomen dat het onderzoek naar de aanvraag volledig is geweest. Hierbij is wel van belang dat de vreemdeling op de juiste wijze is uitgenodigd voor het nader gehoor en er daarbij op is gewezen dat er van uit wordt gegaan dat hij geen behoefte heeft aan internationale bescherming als hij zonder goede reden niet verschijnt
3. Eiser is op juiste wijze uitgenodigd voor het nader gehoor op 16 november 2023. In de uitnodiging is hij gewezen op het hiervoor genoemde risico van niet verschijnen. De door eisers gemachtigde opgegeven reden voor het niet verschijnen, namelijk dat eiser kennelijk verdwaald was en geen geld of telefoon bij zich had, heeft verweerder niet hoeven opvatten als geldige reden voor het niet verschijnen. Verweerder heeft in zijn reactie op het beroep nog terecht opgemerkt dat, nu eiser zich die dag op het AZC bevond, hij daar hulp had kunnen vragen.
4. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat eisers Algerijnse nationaliteit als zodanig geen aanknopingspunt vormt voor behoefte aan internationale bescherming. Tijdens aanmeldgehoor heeft eiser ook alleen in algemene zin verwezen naar 'familieproblemen' als reden voor zijn vertrek.
5. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch heeft eiser niet uitdrukkelijk bericht van een nader gehoor af te zien. Wel heeft eisers gemachtigde nog vóór het voornemen aan verweerder laten weten dat haar cliënt alsnog nader wil worden gehoord. Het komt echter voor rekening van eiser dat hij van de eerder geboden gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Verder heeft eiser bij zienswijze, noch in beroep op enigerlei wijze inhoudelijk toegelicht waarom nader onderzoek naar de aanvraag nodig is. Ten slotte is eiser zonder inhoudelijke toelichting niet verschenen ter zitting.
6. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder er ten tijde van het bestreden besluit van uit mocht gaan dat het onderzoek naar de aanvraag volledig is geweest en is er ook nu geen reden om daar anders over te denken.
7. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser bij zijn aanvraag en toelichting daarop alleen feiten en omstandigheden heeft gesteld die niet ter zake doen voor de vraag of hij in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18691.