Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:14638
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
800 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/2604
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo)
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 11 april 2023 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 28 februari 2024 heeft verzoekster een aanvraag om een verblijfdocument EU/EER ingediend. Bij besluit van 24 mei 2024 is aan verzoekster een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van Verordening 492/2011 verleend.
Verzoekster heeft daarop de voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3. Er kan aanleiding bestaan voor een proceskostenveroordeling als verweerder aan de vreemdeling is tegemoet gekomen of als het procesbelang anderszins door toedoen van verweerder is vervallen. In dit geval is daarvan geen sprake, omdat verweerder een aanvraag om een verblijfsrecht heeft ingewilligd in een andere procedure. Verweerder is dus niet – zoals verzoekster stelt - tegemoet gekomen aan haar verzoek in deze procedure, maar in een andere procedure. In de gronden van het verzoek in deze procedure ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er daarom in deze procedure geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2024.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RVS:2022:3578.