Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-09-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:14456
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,142 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33670
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Hij heeft de maatregel van bewaring op 15 augustus 2024 opgeheven.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 9 september 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 juli 2024 in de zaak NL24.28954 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 26 juli 2024), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Tegen het voortduren van de bewaring tot het moment van opheffing daarvan voert eiser aan dat de belangenafweging niet inzichtelijk is gemaakt. Uit wat verweerder heeft overwogen volgt niet dat de maatregel niet al eerder opgeheven had kunnen worden. De bewaring heeft ook te lang geduurd omdat verweerder onvoldoende heeft aangedrongen op de presentatie van eiser aan de Marokkaanse autoriteiten.
5. In de voortgangsrapportage heeft verweerder gemeld dat op 15 augustus 2024 is besloten de bewaring op te heffen in het kader van een belangenafweging. Hij overweegt hiertoe dat eiser negen maanden in bewaring zit, de aanvraag voor een laissez-passer op 24 november 2022 is verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten, maar dat er ondanks regelmatig rappelleren nog geen presentatie, dan wel afgifte van een laissez-passer heeft plaatsgevonden. Bovendien betwijfelt verweerder of het verder laten voortduren van de maatregel alsnog het gewenst resultaat zal opleveren, namelijk dat hij naar Marokko zal terugkeren.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode onrechtmatig is geweest. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, was komen te ontbreken. Ook heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Uit het verslag van het laatste vertrekgesprek van 6 augustus 2024 blijkt dat eiser zich passief heeft opgesteld. Hiermee heeft eiser zelf in de weg gestaan van een voortvarende uitzetting.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2024:12205.