Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:13595
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,414 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK
DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: C/09/669327 / FT RK 24/612
uitspraakdatum: 26 augustus 2024
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster,
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor de schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.
Procesverloop
1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 19 augustus 2024 te 14:10 uur. Op de zitting verschenen:
- mevrouw [verzoekster] , vergezeld door,
- mevrouw [naam 1] , schuldhulpverlener van de gemeente Zoetermeer,
- mevrouw [naam 2] , ex-schoonzus van mevrouw [verzoekster] , ter zitting optredend als tolk,
- de heer [naam 3] , zoon van mevrouw [verzoekster] ,
- mevrouw [naam 4] , dochter van mevrouw [verzoekster] .
Beoordeling
2.1.
Een van de doelstellingen van de WSNP is het bevorderen van de totstandkoming van minnelijke schuldregelingen. Niet is gebleken dat de wetgever met de per 1 juli 2023 inwerking getreden wetswijzigingen deze doelstelling heeft willen loslaten. De WSNP fungeert dus nog steeds als ‘stok achter de deur’ voor een buitengerechtelijk schuldregelingsakkoord. In beginsel moet een WSNP-verzoek dan ook zijn voorafgegaan door een deugdelijke poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen en vergezeld te gaan met onder meer een zogenoemde 285-verklaring (artikel 285 lid 1 onder f Fw). Dit is “een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen”. Sinds 1 juli 2023 is in de wet opgenomen dat “Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, hoeft voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.”
2.2.
Namens mevrouw [verzoekster] is geen aanbod aan haar schuldeisers gedaan. Hiertoe is door de schuldhulpverlener in de 285-verklaring aangevoerd: “er is geen volledig beeld van de schulden (te krijgen). Er zijn er twee uit de huwelijkse periode bekend, maar mogelijk zijn er meer die aan verzoeker toegerekend kunnen worden.”
2.3.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat voor een correcte uitvoering van een buitengerechtelijke traject een zo goed mogelijk beeld zal moeten bestaan van inkomsten, bezittingen en uitgaven. Van een schuldenaar moet dus worden gevergd dat deze – ook – ten minste een zo goed mogelijk beeld van zijn schuldenlast geeft. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat in een WSNP-verzoek een staat van baten en schulden moet worden opgenomen (artikel 285 lid 1 sub a Fw). Bovendien moet de rechtbank in staat worden gesteld te beoordelen of aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 onder b Fw).
2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vrees dat zich alsnog schuldeisers zullen aandienen onvoldoende om er zonder meer van uit te kunnen gaan dat het onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Niet is voldoende aannemelijk gemaakt dat die vrees gerechtvaardigd is. Mevrouw [verzoekster] is in 2021 gescheiden en is in juli 2021 van Harlingen naar Zoetermeer verhuisd. Zij heeft ter zitting meegedeeld dat zij sindsdien geen betalingsherinneringen, aanmaningen of sommaties heeft ontvangen van andere schuldeisers dan de vier schuldeisers die zich nu kenbaar hebben gemaakt. Dit maakt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er een reële kans bestaat dat zich schuldeisers zullen aandienen die mevrouw [verzoekster] aansprakelijk houden voor andere schulden die uit de huwelijkse periode stammen. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook niet onmogelijk om met een redelijke mate van inspanning tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen met de schuldeisers waarvan redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat deze een vordering op mevrouw [verzoekster] menen te hebben.
2.5.
Het ontbreken van een staat van baten en schulden en van een correcte 285-verklaring maakt dat de rechtbank van oordeel is dat mevrouw [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart mevrouw [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met A. van Groningen Schinkel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2024.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.