Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:1358
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,992 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26046 en NL23.26047
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van 23 augustus 2023, waarbij de staatssecretaris aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Op 30 juni 2023 heeft de staatssecretaris zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Eiser heeft een zienswijze ingebracht. Vervolgens is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2023 op zitting behandeld, gezamenlijk met het namens eiser ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
3. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris de volgende stukken in het digitale dossier heeft geüpload: een door eiser ondertekende verklaring van vrijwillig vertrek van
17 oktober 2023, en een screenshot van de gegevens van eiser in het digitale systeem van de staatssecretaris, waarop een vertrekdatum van 17 oktober 2023 vermeld wordt.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat dit slechts anders is als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser ter zitting de vraag gesteld of er nog contact is met eiser. De gemachtigde heeft aangegeven dat hij contact heeft gezocht, maar niets heeft vernomen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, zoals wordt bedoeld in de in hiervoor genoemde rechtspraak van de Afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit en uit hetgeen in overweging 3 is overwogen ook dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk door hem gezochte bescherming in Nederland en geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en gevraagd om een proceskostenveroordeling ten aanzien van dat verzoek. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.
6.1.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
6.2.
Voor zover eiser heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de staatssecretaris zou zijn tegemoetgekomen wijst de rechtbank dat verzoek af.
De staatssecretaris is immers niet tegemoetgekomen aan het beroep en heeft het bestreden besluit gehandhaafd. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om over te gaan tot een vergoeding van de proceskosten die eiser heeft moeten maken voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling wordt geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het primaire besluit voorlopig opschort, dan wel anderszins de voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. De staatssecretaris heeft op 2 september 2023 besloten de gevolgen van de besluiten tot beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming te bevriezen voor alle vreemdelingen die in een vergelijkbare situatie verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de voorlopige maatregel getroffen waar ook in het verzoek om is gevraagd.
6.3.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Bpb vast op € 875,-. Toegekend wordt 1 punt voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening.
Conclusie
7. Eiser heeft geen procesbelang bij zijn onderhavige beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Wel ziet de rechtbank in dit geval aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening tot een bedrag van € 875,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk
- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
zie de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA8952 en van 24 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7413