Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:13016
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,514 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.27974
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij), en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Slimane. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
Voortraject
2. Eiser stelt dat het onduidelijk is op welke titel hij was gedetineerd op het moment dat hij werd overgenomen uit het strafrecht op 10 juli 2024. Uit de registratiekaart DJI blijkt namelijk dart de einddatum van de strafrechtelijke detentie van eiser 13 juli 2024 was. Dat is drie dagen later dan zijn inbewaringstelling. Eiser kan niet op een dubbele titel vastzitten. In het uittreksel JD staat verder ook niet dat er nog andere strafzaken open staan. Daarnaast is het Openbaar Ministerie (OM) ook nog gevraagd om toestemming te geven voor de overdracht van eiser, maar nu er geen openstaande strafrechtelijke kwesties zijn, is het onzorgvuldig dat het OM wel om toestemming is gevraagd.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 10 juli 2024 blijkt dat eiser is overgenomen en opgehouden aansluitend op strafrechtelijke detentie. Uit het uittreksel JD van 11 juli 2024 blijkt dat de executie van de gevangenisstraf van eiser ten uitvoer is gelegd van 28 mei 2024 tot en met 10 juli 2024. Dit bevestigd het eerder genoemde proces-verbaal. Eiser was dus eerst op strafrechtelijke titel gedetineerd en daarna op vreemdelingrechtelijke titel. Er is geen sprake van een dubbele titel. Dat in de registratiekaart DJI als einddatum 13 juli 2024 staat vermeld, doet daar niet aan af. Deze registratiekaart is gedateerd 14 mei 2024 en geeft dus mogelijk niet de daadwerkelijke einddatum van de detentie weer. Dat het OM alsnog om toestemming is gevraagd om eiser over te dragen ziet de rechtbank niet als onzorgvuldig en dit maakt de maatregel niet onrechtmatig. Hieruit kan ook worden afgeleid dat er volgens het OM geen openstaande zaken meer zijn waardoor eiser in Nederland zou moeten blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Gehoor voor inbewaringstelling
4. Eiser stelt dat tijdens het gehoor voor inbewaringstelling van 10 juli 2024 geen gebruik is gemaakt van een tolk op C1-niveau, terwijl dit wel had gemoeten. De ervaring leert namelijk dat er altijd een tolk op C1-niveau wordt gebruikt. Dat is het hoogste niveau. Tijdens dit gehoor is een tolk op B2-niveau gebruikt, dat is onvoldoende.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens het gehoor voor inbewaringstelling heeft de minister gebruik gemaakt van een registertolk op B2-niveau. Eisers enkele stelling dat dit een te laag niveau is voor een gehoor voor inbewaringstelling is onvoldoende. Eiser heeft deze stelling niet nader geconcretiseerd. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij op enige wijze is geschaad in zijn belangen doordat hij geen gebruik heeft kunnen maken van een tolk op C1-niveau. Dat de ervaring van de gemachtigde leert dat er altijd tolken op C1- niveau gebruikt worden, is ook niet nader onderbouwd en betekent niet dat een tolk op B2- niveau onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 5.3 Vreemdelingenbesluit
6. Eiser stelt dat de minister artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft geschonden. Voor zover aan hem een algemene folder over inbewaringstelling is uitgereikt, bevat deze niet de gronden van de maatregel van bewaring. Sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 november 20231 heeft de minister voldoende tijd gehad om de werkwijze in lijn met de uitspraak van de Afdeling te brengen. Eiser vraagt de rechtbank hier consequenties aan te verbinden.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht als bepaald in artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb en dat dit een gebrek aan de inbewaringstelling oplevert. Het uitdelen van een algemene folder over de inbewaringstelling is namelijk onvoldoende. In de bovengenoemde uitspraken van 15 november 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat een dergelijk gebrek eerst na een belangenafweging tot onrechtmatigheid van de opgelegde maatregel kan leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in dit geval de schending van de informatieplicht minder zwaar weegt dan het belang om eiser in bewaring te stellen. De minister heeft voor eiser een rechtsbijstandverlener ingeschakeld met wie hij de redenen van bewaring heeft kunnen
1. ECLI:NL:RVS:2023:4180, ECLI:NL:RVS:2023:4181 en ECLI:NL:RVS:2023:4182.
bespreken. De rechtsbijstandverlener heeft vervolgens bij de rechter beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Ondanks dat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb is eiser wel in staat tegen de vrijheidsbeneming het recht op het instellen van rechtsmiddelen effectief uit te oefenen.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken dat eiser door het ontbreken van een schriftelijke vertaling van de bewaringsgronden in zijn belangen is geschaad. De verstreken tijd na de genoemde uitspraken van de Afdeling geeft de rechtbank geen aanleiding om hier consequenties aan te verbinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3a en 3d en de lichte grond onder 4a heeft betwist. De overige gronden zijn door eiser niet betwist. Deze zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd en kunnen de maatregel van bewaring al dragen. De rechtbank laat de geschilpunten over de overige gronden van bewaring daarom onbesproken.
Lichter middel
10. Eiser stelt dat de minister had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor voor inbewaringstelling en ook ter zitting gezegd dat hij zelfstandig wil vertrekken naar Spanje. Eiser is telkens meewerkend geweest. Verder is bij de beoordeling van het lichter middel niet betrokken dat eiser tijdens het verhoor van 6 juli 2024 heeft verklaart dat hij psychische klachten heeft. Dit had wel meegenomen moeten worden in de beoordeling, omdat de minister alle informatie uit het dossier moet betrekken.
11. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan blijkt al dat er sprake is van een significant risico op onttrekking. De minister heeft in de maatregel verder uitgebreid gemotiveerd waarom zij vindt dat er een significant risico is dat eiser zich zal
onttrekken en die motivering kan de rechter volgen. Dat eiser tijdens het gehoor voor inbewaringstelling heeft gezegd dat hij zelfstandig wil vertrekken en dit ook ter zitting heeft herhaald, maakt dit niet anders.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juli 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.