Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:12573
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,063 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6126
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: G. Debije),
en
de directie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW), verweerder
(gemachtigde: mr. F. Thomas).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 8 september 2023 (bestreden besluit) op 28 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder dat het voertuig met kenteken [kenteken] per 5 juni 2023 niet meer op de weg mag rijden, omdat het niet voldoet aan de eisen van de wet.
Beoordeling
2. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
3. Verweerder heeft het rijverbod opgelegd voor het voertuig met kenteken [kenteken] . Per 27 december 2023 is het voertuig niet meer op naam van eiser geregistreerd. Volgens eiser heeft hij desondanks procesbelang bij dit beroep, omdat hij schade heeft geleden.
4. Schade als gevolg van een onrechtmatig besluit kan procesbelang opleveren. Hiervoor is vereist dat eiser de schade tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt. Het gaat erom of eiser daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het door hem bestreden besluit.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Eiser heeft erop gewezen dat hij de keuze had om het voertuig opnieuw te laten keuren, of het voertuig (goedkoop) te exporteren. Eiser heeft echter niets aangedragen waaruit blijkt dat hij het voertuig opnieuw heeft laten keuren. Verder heeft eiser niet onderbouwd welke schade hij heeft geleden als gevolg van zijn beslissing om het voertuig te exporteren. Nog los gezien van de vraag of eventuele schade door export het gevolg is van het bestreden besluit. Het bestreden besluit verplicht immers niet tot export van het voertuig.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2024 door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 48, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 38, eerste lid, onder b, van het Kentekenreglement en artikel 5.6.8. van de Regeling voertuigen.