Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:12538
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,885 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7793
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van de burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder
(gemachtigde: mr. M.E.C. Zwanenburg).
Inleiding
1. Op 8 februari 2021 heeft eiser (per e-mail) gevraagd om alle documenten over de weigering van een omgevingsvergunning voor de bouw van een carport op het adres [adres] , in [plaatsnaam] . Met het primaire besluit van 21 maart 2023 heeft verweerder beslist het verzoek niet in behandeling te nemen, omdat onduidelijk is op welke documenten het verzoek betrekking heeft.
1.1.
Met het bestreden besluit van 21 maart 2023 heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen en inhoudelijk op het verzoek van eiser beslist. Verweerder heeft verschillende documenten (gedeeltelijk) openbaargemaakt.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2024 gelijktijdig met het beroep in zaak SGR 23/6302 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank het beroep van eiser inhoudelijk kan behandelen.
Wat zijn de regels?
3. Voordat de rechtbank een zaak inhoudelijk in behandeling neemt, moet ze bepalen of is voldaan aan de formele eisen uit de wet. Eén van die formele eisen is dat het beroepschrift op tijd door de rechtbank moet zijn ontvangen.
3.1.
De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser niet voldoet aan de formele eisen. De rechtbank behandelt het beroep daarom niet inhoudelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.
4.1.
Vast staat dat de dagtekening van het bestreden besluit 21 september 2023 is. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde daarom in dit geval op 2 november 2023.
4.2.
Eiser heeft aangetoond dat hij het beroepschrift voor afloop van de termijn aangetekend heeft verstuurd, namelijk op 30 oktober 2023. Maar dat is niet genoeg voor een tijdig ingediend beroep. Het beroepschrift moet namelijk ook nog op tijd door de rechtbank zijn ontvangen: uiterlijk een week na afloop van de termijn. Dat betekent dat het beroepschrift uiterlijk op 9 november 2023 door de rechtbank moest zijn ontvangen. Dat is niet gebeurd. De rechtbank heeft het beroepschrift namelijk pas op 11 december 2023 ontvangen. De rechtbank heeft het beroepschrift dus te laat ontvangen.
4.3.
De vraag die rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er omstandigheden zijn waardoor het eiser niet kan worden verweten dat het beroepschrift te laat is ontvangen. Die omstandigheden zijn er niet. Eiser heeft weliswaar op 14 november 2023 per brief (van 10 november 2023) contact opgenomen met de rechtbank, maar dit was pas na het verstrijken van de beroepstermijn. Verder stelt eiser dat hij op 8 november 2023 heeft gebeld met PostNL, maar daar staat tegenover dat PostNL in haar online omgeving al op 31 oktober 2023 en op 1 november 2023 aan eiser heeft laten weten dat er grote drukte was en dat de zending van eiser was vertraagd. Daarbij is vermeld dat de bezorgtijd nog niet bekend was. Eiser had op dat moment nog kunnen kiezen voor een andere manier om het beroepschrift op tijd in te dienen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom kan het eiser worden verweten dat de rechtbank het beroepschrift te laat heeft ontvangen.
Conclusie
5. Het beroep is niet ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het beroep. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
De Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Eiser heeft dit verzoek gedaan op grond van de Wet open overheid. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is met ingang van 1 mei 2022 vervangen door de Woo. Deze nieuwe wet kent geen overgangsrecht, zie artikel 10.1, van de Woo. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. Het besluit op bezwaar is genomen in 2023, dus na 1 mei 2022. Dat betekent dat in dit geding de Woo van toepassing is.
De Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 6:9 van de Awb.
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:7 van de Awb.
Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Artikel 6:11 van de Awb.