Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2024:12354
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,408 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4673
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 14 februari 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1990.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat uit het proces-verbaal van staandehouding niet duidelijk blijkt wat de reden voor de verbalisant was om eiser naar zijn identiteitsdocument te vragen. Het moet er daarom voor gehouden worden dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht als bedoeld in artikel 50 van de Vw van 6 februari 2024 blijkt dat de verbalisant, op dat moment met surveillance belast, eiser had waargenomen bij het station.
Eiser vertoonde afwijkend gedrag ten opzichte van het overige publiek dat zich daar op dat tijdstip bevond. Gezien de recente fietsen- en winkeldiefstallen in het centrum en rondom het station heeft de verbalisant eiser vervolgens aangesproken. Omdat eiser zijn gedrag en de reden van zijn aanwezigheid ter plaatse niet duidelijk kon maken, heeft de verbalisant hem gevraagd zich te legitimeren.
Aangezien hierna bleek dat eiser is gesignaleerd als niet toe te laten vreemdeling op grond van artikel 67 van de Vw, heeft de verbalisant hem vervolgens in overleg met de AVIM staande gehouden en op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw ter ophouding overgedragen aan de AVIM.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het vorenstaande genoegzaam dat eiser door de verbalisant is aangesproken op grond van de Algemene Politiewet.
Volgens vaste jurisprudentie kan de rechter in vreemdelingenzaken niet oordelen over de aanwending van een niet bij of krachtens de Vw voorziene bevoegdheid. De rechtbank ziet geen grond voor de veronderstelling dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding.
7. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel op een eerder moment dan de opheffing daarvan onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
J.J. Brands, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.