Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-13
ECLI:NL:RBDHA:2024:12346
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,928 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres] ,
[eiser]
,
uit [woonplaats] ,
eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,
verweerder,
(gemachtigde: [naam 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit Leidschendam, vergunninghouder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 15 juni 2022, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het planologisch mogelijk maken van een nieuwe woning ter plaatse van de bestaande woning op het perceel [adres] in [plaatsnaam 1] (het bestreden besluit).
1.1.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van verweerder en vergunninghouder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is op 21 juli 2021 ingediend. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing blijft.
De omgevingsvergunning
4. Het perceel [adres] [plaatsnaam 1] ligt in het plangebied van het bestemmingsplan “ [plaatsnaam 2] ” (het bestemmingsplan) en heeft daarin de bestemmingen “Wonen” (artikel 19), “Tuin” (artikel 15), “Waarde – Archeologie 3” (artikel 22) en “Waterstaat – Waterkering” (artikel 24).
4.1.
Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een bouwplan waarbij de nieuwbouwwoning in vergelijking tot de bestaande woning naar rechts wordt uitgebreid en verplaatst. Vanaf de voorzijde wordt de afstand tussen de woning van eisers en de nieuwbouwwoning 8,60 meter in plaats van 11,20 meter. Vanaf de achterzijde is de uitbreiding 5 meter, waardoor de afstand tussen de beide woningen 6,60 meter wordt in plaats van 12 meter. Het plaatsen van een dakterras leidt tot een afstand (van terras tot terras) van 4,30 meter. De afstand tussen de nieuwbouwwoning en de tuin van eisers wordt 2,60 meter. De bouwhoogte van de nieuwbouwwoning wordt meer dan de toegestane maximale hoogte van 8 meter. De nieuwe bebouwing bestaat niet uit twee maar drie woonlagen.
4.2.
Verweerder heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo medewerking verleend aan afwijking van het bestemmingsplan, omdat het bouwplan volgens haar niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De omgevingsvergunning is verleend met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wabo.
Zienswijze
5. Eisers betogen allereerst dat verweerder ten onrechte de door eisers bij brief van 30 maart 2022 ingediende zienswijze niet in de besluitvorming heeft betrokken, zodat het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering berust.
5.1.
Dit betoog slaagt. Het ontwerp van de omgevingsvergunning is op 3 maart 2022 ter inzage gelegd. Binnen zes weken na terinzagelegging was het mogelijk voor derden om een zienswijze in te dienen. De zienswijze van eisers is op 1 april 2022 en dus tijdig door verweerder ontvangen. Door verweerder is erkend dat de zienswijze van eisers ten onrechte niet in de besluitvorming is betrokken. Het besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd en daardoor in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank gaat echter voorbij aan dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar aanleiding van het ingediende beroep is verweerder in de onderhavige procedure alsnog ingegaan op de bezwaren van eisers, die zij zowel in hun zienswijze als in hun beroepschrift naar voren hebben gebracht. Verweerder is door de bezwaren van eisers niet tot een ander standpunt gekomen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat eisers door het geconstateerde gebrek zijn benadeeld.
Bezonning, uitzicht en privacy
6. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte van het bestemmingsplan heeft afgeweken, omdat het bouwplan nadelige gevolgen heeft voor eisers. Het bouwplan leidt namelijk tot minder zon, minder lichtinval en meer schaduw in hun woning, terras en zij- en achtertuin, mede omdat de nieuwbouwwoning op een dijklichaam is gebouwd. Het perceel heeft een verloop van hoogte waardoor de achtertuin een stuk lager is dan de voortuin. De achterzijde van de woning is een verdieping hoger dan de voorzijde van de woning. Met een zon- en schaduwberekening hebben eisers in beeld gebracht wat de gevolgen zijn van de nieuwbouwwoning. Hun uitzicht wordt door de nieuwbouwwoning beperkt. Door het opnemen van extra ramen, dakkapellen en een dakterras is er bovendien meer zicht op de woning van eisers, hetgeen ten koste gaat van hun privacy.
6.1.
De rechtbank overweegt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarbij wordt meegewerkt aan een afwijking van het bestemmingsplan, een afweging dient plaats te vinden van alle bij het besluit betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dat kader dient te worden gekeken naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning, het uitzicht en de inkijk van de woning van eisers.
6.2.
Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
Om te beoordelen of er sprake is van een onevenredige afname van zonlicht, is een bezonningsstudie uitgevoerd, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. In deze studie is rekening gehouden met het hoogteverschil van de woningen in verband met de aanwezigheid van een dijklichaam. Daaruit blijkt dat op de woning, het dakterras en de tuin van eisers in de namiddag weliswaar meer schaduw zal optreden vanwege de nieuwbouwwoning, maar dat op alle andere momenten de bezonning gelijk blijft aan de bestaande situatie. Daardoor is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onevenredige mate van hinder die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat.
6.4.
Het vergroten van de woning heeft ook tot gevolg dat het uitzicht van eisers gedeeltelijk wordt belemmerd, maar op grond van vaste jurisprudentie geldt dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Naar het oordeel van de rechtbank is het verlies aan uitzicht niet zodanig dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het uitzicht in noordwestelijke richting weliswaar belemmerd wordt, maar dat het bouwplan op het uitzicht in andere richtingen geen effect heeft.
6.5.
Voor zover eisers vrezen voor een inbreuk op hun privacy, geldt dat de ramen en het dakterras van de nieuwbouwwoning zich op meer dan twee meter van de erfgrens bevinden. Van strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek is dus geen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van eisers.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat het bestreden besluit wel een zorgvuldigheidsgebrek bevat, dat de rechtbank passeert, moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden. Verweerder moet eisers ook een proceskostenvergoeding betalen van € 16,84 voor de reiskosten. Nu eisers niet hebben onderbouwd dat zij inkomsten zijn misgelopen, wordt het verzoek van eisers om vergoeding van verletkosten voor het verschijnen op de zitting afgewezen. Uit de salarisspecificaties blijkt immers niet dat er salaris is ingehouden of dat eisers vrij hebben genomen om naar de zitting te komen. Ook de kosten voor het verzenden van stukken worden niet vergoed, nu dergelijke normale kantoorkosten niet op een van de in artikel 1 van het Besluit proceskosten genoemde gronden voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 16,84 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ciftci-Ibis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2024.
de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:503 r.o. 4.1.