Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:12296
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29005
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 25 juli 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Namens eiser wordt aangevoerd dat de maatregel van bewaring is opgeheven omdat eiser vanwege een persoonsverwisseling is uitgezet naar Bulgarije in plaats van Duitsland. Het is onduidelijk welke pogingen verweerder heeft ondernomen om uit te zoeken wat er gebeurd is en waar eiser momenteel verblijft. Ook is niet duidelijk in hoeverre eiser wordt gecompenseerd voor de gemaakte fout.
4. Alhoewel het zonder meer onzorgvuldig is te noemen dat eiser abusievelijk is uitgezet naar het verkeerde land, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat deze feitelijke uitzettingshandeling niet ziet op de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring zelf. Deze feitelijke handeling heeft immers plaatsgevonden na opheffing van de maatregel van bewaring. De door eiser opgeworpen vragen - hoe dit heeft kunnen gebeuren, waar eiser momenteel verblijft en of eiser compensatie krijgt voor deze uitzetting naar het verkeerde land - hebben dan ook geen gevolg voor dit beroep waar uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring wordt beoordeeld. Dat eiser is uitgezet naar het verkeerde land betekent ook niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, nu vanaf het opleggen van de maatregel en voorafgaande aan de opheffing hiervan voortvarend is gehandeld door verweerder. 5. De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan niet onrechtmatig is geweest. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Verder volgt uit het dossier dat de voor de terugkeer naar Duitsland noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.