Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:12256
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
880 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27468
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij besluit van 8 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Finland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het besluit van 8 juli 2024 beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verzoekster heeft vervolgens verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep voor het verrichten van onderzoek aan documenten, namelijk een familieboekje en een huwelijksakte. Verzoekster heeft deze documenten opgestuurd naar Bureau Documenten.
2. De minister heeft bij brief van 25 juli 2024 aangegeven dat hij zich niet verzet tegen aanhouding van het beroep, mist hierbij het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2024 aangehouden.
2.2.
Partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van dit verzoek op de zitting van 31 juli 2024. Deze uitnodiging is ingetrokken. Een zitting is, gelet op de brief van de minister van 25 juli 2024, niet langer nodig in deze zaak.
Beoordeling
3. Nu het beroep is aangehouden, verzet de minister zich niet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom als kennelijk gegrond toewijzen. Verzoekster mag niet overgedragen worden aan Finland totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. Indien het beroep wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 8 juli 2024 wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Finland totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.