Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:12222
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,307 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27659
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
1. Bij besluit van 2 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (beiden via een beeldverbinding). De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij niet volstaat met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser stelt allereerst slachtoffer te zijn van een criminele organisatie en enkel in Nederland te zijn om hier aangifte van te doen. Daarnaast meent eiser dat zijn medische situatie het niet toelaat om in bewaring te worden gesteld. Hierbij merkt eiser op dat hij geen toegang heeft tot adequate medische zorg in het detentiecentrum. Tot slot meent eiser dat een lichter middel dan bewaring volstaat, omdat eiser te allen tijde beschikbaar is voor de Nederlandse autoriteiten.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de door eiser niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij geen toegang heeft tot adequate medische zorg. In algemene zin geldt namelijk dat medische voorzieningen in het detentiecentrum vergelijkbaar moeten worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser meent dat de medische zorg in detentie voor hem niet voldoende is dan zal hij dat nader moeten onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan. Daarbij komt dat eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling is gezien door een arts en dat vooraf contact is gezocht met de medische dienst van het detentiecentrum in Rotterdam. De medische gesteldheid van eiser is dus door de minister voldoende meegewogen. Dat eiser stelt slachtoffer te zijn van een criminele organisatie en in Nederland daarvan aangifte te willen doen maakt het voorgaande niet anders. De minister stelt zich namelijk op zitting terecht op het standpunt dit niet afdoet aan de grondslag op basis waarvan eiser in bewaring is gesteld en dat eiser bovendien aangifte kan doen in Duitsland. Zoals de minister verder op zitting heeft toegelicht is ook gelet op eisers eigen verklaringen niet gebleken dat hij altijd beschikbaar is voor de Nederlandse autoriteiten. Eiser heeft namelijk geen vaste woon- of verblijfplaats en heeft zelf aangegeven ook in Brussel te verblijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.