Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:12068
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,649 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23082
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. K. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 26 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. De gemachtigde van de minister heeft deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft op 20 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Uit Eurodac blijkt dat eiser eerder op 2 september 2021 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom de autoriteiten van Duitsland op 6 februari 2024 verzocht om eiser terug te nemen. De autoriteiten van Duitsland zijn daarmee akkoord gegaan op 12 februari 2024.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
6. Eiser betoogt dat niet Duitsland, maar Zwitserland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Voordat eiser in Duitsland asiel heeft aangevraagd heeft hij namelijk eerder in Zwitserland asiel aangevraagd.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit Eurodac blijkt niet van een registratie van een asielaanvraag in Zwitserland door eiser. De minister wijst er terecht op dat hij uit mag gaan van de gegevens die uit Eurodac komen en dat deze juist zijn. Ook anderszins heeft eiser zijn betoog niet nader onderbouwd. De autoriteiten van Duitsland zijn bovendien akkoord gegaan met het verzoek om terugname, waardoor de verantwoordelijkheid van Duitsland vast is komen te staan.
Kan ten aanzien van Duitsland worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Eiser betoogt dat de manier waarop hij als asielzoeker in Duitsland is behandeld onacceptabel is.. De omstandigheden van de opvang in Duitsland waren zo slecht, dat niet van eiser kan worden verwacht dat hij terugkeert naar Duitsland. Ook is het voor eiser te gevaarlijk om te leven in Duitsland, omdat hij zich heeft bekeerd tot het christendom en in Duitsland is bedreigd door landgenoten en moslims.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden in Duitsland ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft geen documenten overgelegd om te onderbouwen dat hij in een situatie terecht zal komen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zal halen. Ook zijn verklaringen over de situatie in Duitsland en zijn verklaringen dat hij persoonlijk heeft ervaren dat de medische voorzieningen in Duisland niet goed waren, kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure dan wel de opvangvoorzieningen in Duitsland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op onmenselijke dan wel vernederende behandeling. Eisers betoog dat het voor hem te gevaarlijk is om te leven in Duitsland omdat hij zich heeft bekeerd tot het christendom en daardoor zal worden bedreigd, maakt het voorgaande ook niet anders. Bij voorkomende problemen kan eiser de autoriteiten van Duitsland of de daarvoor geschikte instanties van Duitsland benaderen en niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet kunnen of willen helpen.
8. De minister heeft in het voorgaande ook geen reden hoeven zien voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer NL24.23083.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441.
Het arrest Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93.