Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:11716
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,330 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6934
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Inleiding
Bij besluit van 21 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een door eiser aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een pergola op zijn dakterras geweigerd.
Bij besluit van 19 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 184,- vergoedt.
Dit betekent dat de weigering om de omgevingsvergunning te verlenen in stand blijft.
Overwegingen
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de aangevraagde pergola in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie heeft op 23 februari 2022 een negatief advies gegeven. De welstandscommissie heeft daarin aangegeven dat het bestaande dakterras met een laag hekwerk aanvaardbaar is, maar dat de aangevraagde pergola een wezensvreemd element is.
2. In een brief van 14 juli 2022 heeft verweerder aan eiser toegelicht dat intern navraag is gedaan over de mogelijkheden die er wel zijn ter plaatse van het dakterras. In de brief staat dat een pergola niet per definitie onaanvaardbaar is, maar dat de beoogde pergola niet boven de nok mag uitkomen en dat de afstand tot de dakrand moet worden vergroot.
3. Het welstandsadvies en de brief zijn door verweerder in het verweerschrift en ter zitting verduidelijkt. De rechtbank begrijpt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de pergola zichtbaar is vanuit de openbare ruimte en dat de welstandseisen uit de welstandsnota 2017 van toepassing zijn. De pergola voldoet volgens verweerder niet aan deze welstandseisen.
4. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de pergola vanaf de Loosduinsekade inderdaad zichtbaar zal zijn vanaf de openbare weg en de openbare ruimte.
5. In de welstandnota 2017 staat als algemeen criterium dat een bouwwerk samenhang moet vertonen op alle schaalniveaus. Voor objecten, zoals een pergola, geldt daarbij dat het hoofdgebouw herkenbaar moet blijven en dat de uitbreiding (de pergola) samenhang met de architectuur van het hoofdgebouw moet vertonen. En ten slotte geldt dat de pergola een toevoeging is aan het dakterras. Daarbij geldt dat het dakterras ondergeschikt moet zijn en het hekwerk zo laag mogelijk.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op basis van het welstandsadvies in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde pergola niet voldoet aan de welstandseisen in de welstandsnota 2017. De pergola steekt boven de dakrand uit en loopt door over vrijwel de hele lengte van het dakterras. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de pergola daardoor onvoldoende samenhang vertoont op alle schaalniveaus en dat het dakterras met de toevoeging van de aangevraagde pergola niet meer ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
7. Dat betekent dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevraagde pergola niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
8. Eiser heeft echter terecht aangevoerd dat deze motivering onvoldoende duidelijk volgt uit het welstandsadvies en de aanvullende brief van 14 juli 2022. In zoverre is het welstandsadvies daarom onvoldoende zorgvuldig opgesteld. Eiser krijgt daarom op dit procedurele punt gelijk en daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. Omdat de aanvullende motivering het besluit wel kan dragen, blijven de rechtsgevolgen in stand.
9. Dat betekent dat eiser recht heeft op terugbetaling van het door hem betaalde griffierecht. Omdat eiser voor zichzelf procedeert, zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.