Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-19
ECLI:NL:RBDHA:2024:11274
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,590 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-2896
Zaaknummer: C/09/646352
Datum beschikking: 21 mei 2024
Gezag en alimentatie
Beschikking op het op 17 april 2023 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende te [woonplaats 3] (gemeente [gemeente] ),
advocaat: mr. C.J. de Jongh-Moolenaar te Sassenheim.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.E. Sieswerda te Heemstede.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het op 17 april 2023 ingekomen verzoekschrift, met producties A tot en met F, van de zijde van de moeder;
het F9-formulier van 25 april 2023, met producties B en H, van de zijde van de moeder;
het op 19 juni 2023 ingekomen verweerschrift, met producties 1 tot en met 9, van de zijde van de vader;
het bericht van 29 januari 2024, met als bijlage de door de jong-meerderjarige [jong-minderjarige] getekende volmacht;
de brief van 11 april 2024, met producties 10 tot en met 14, van de zijde van de vader;
het F9-formulier van 11 april 2024, met producties I tot en met L, van de zijde van de moeder.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter haar mening gegeven over het verzoek.
Op 23 april 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Namens de vader en de moeder is tijdens de zitting een e-mailbericht van 22 april 2024 overgelegd waarin de overeenstemming ten aanzien van de kinderalimentatie is opgenomen.
Feiten
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van 22 september 2006 tot 16 maart 2021.
Zij zijn de ouders van de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , en van de jong-meerderjarige:- [jong-minderjarige] , geboren op [geboortedag 2] 2005 te [geboorteplaats 2] .
De vader en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag uit over de minderjarige [de minderjarige] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2021 is – voor zover hier van belang –:- de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken;- bepaald dat [de minderjarige] en – de toen nog minderjarige – [jong-minderjarige] de hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;- een door de vader te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 165,60 per kind per maand met ingang van 1 december 2020.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 juli 2022 is het verzoek van de moeder om te bepalen dat aan haar voortaan alleen het ouderlijk gezag zal toekomen over [de minderjarige] en – de toen nog minderjarige – [jong-minderjarige] afgewezen.
[jong-minderjarige] en [de minderjarige] hebben onder toezicht gestaan van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 3 februari 2021 tot 3 februari 2022.
Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de vader te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2023 € 179,62 per kind per maand en sinds 1 januari 2024 € 190,76 per kind per maand.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de moeder luidt:
met wijziging van voornoemde beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2021, met ingang van 1 mei 2022 de kinderalimentatie voor [jong-minderjarige] en [de minderjarige] op € 300,- per kind per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
te bepalen dat voortaan alleen aan de moeder het ouderlijk gezag zal toekomen over [de minderjarige] ;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft een machtiging overgelegd waaruit volgt dat de jong-meerderjarige [jong-minderjarige] haar heeft gemachtigd haar in rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van het alimentatieverzoek.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Gezag
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van de moeder ten aanzien van het gezag aanvankelijk zag op zowel [de minderjarige] als [jong-minderjarige] . Tijdens de procedure, namelijk op [geboortedag 2] 2023, is [jong-minderjarige] 18 jaar geworden. Er is dus geen sprake meer van gezag van de ouders over [jong-minderjarige] . De rechtbank zal het hierna waar het om het verzoek omtrent het gezag gaat daarom alleen nog over [de minderjarige] hebben.
Het gezin kent een lange en complexe geschiedenis, met jarenlange spanningen tussen de ouders en kindeigen problematiek van [de minderjarige] en [jong-minderjarige] . De echtscheiding tussen de ouders is officieel geworden op 16 maart 2021, maar de ouders zijn sinds eind 2019 uit elkaar en al ruim voor die tijd – namelijk sinds 2016 – is het Jeugd en Gezinsteam (JGT) betrokken bij het gezin. Beide kinderen hebben van 3 februari 2021 tot 3 februari 2022 onder toezicht gestaan, waarin onder meer het doel was om meer duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van de angst van [de minderjarige] en [jong-minderjarige] voor de vader. Die duidelijkheid is er niet gekomen. Gebleken is dat de moeder en de kinderen te maken hebben met de gevolgen van een trauma. Volgens de moeder is de oorzaak van dit trauma het (gewelddadig) gedrag van de vader in het verleden, wat door de vader wordt ontkend. Voor de rechtbank is niet vast te stellen wat er allemaal is gebeurd in het verleden, maar vaststaat dat er in ieder geval al vier jaar geen contact meer is tussen de vader en beide kinderen.
Tegen deze achtergrond verzoekt de moeder haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten. De moeder stelt dat [de minderjarige] veel moeite heeft met het feit dat haar vader mede moet beslissen over belangrijke zaken in haar leven, omdat hij daardoor volgens haar ook op de hoogte is van waar ze zich mee bezighoudt. Het zal [de minderjarige] meer rust geven als de vader dat niet meer weet, en hij geen beslissingen meer over haar zal nemen. Er is al jaren geen contact tussen de vader en [de minderjarige] , en zij wil dat ook niet. Het is volgens de moeder daarom in het belang van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van [de minderjarige] om het gezag te wijzigen.
Volgens de vader moet het verzoek van de moeder worden afgewezen. Hij geeft al jaren geen concrete invulling aan zijn gezag, maar werkt de moeder ook niet tegen in de uitoefening daarvan. De communicatie tussen de ouders verloopt per e-mail en is minimaal, maar verloopt relatief goed. De vader hecht er waarde aan dat hierin niets wijzigt en dat hij mede het gezag kan blijven uitoefenen over [de minderjarige] .
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, BW kan de rechtbank, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag, als bedoeld in artikel 1:251a, eerste lid, BW beëindigen, als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Uit artikel 1:253n, tweede lid, in combinatie met artikel 1:251, eerste lid, BW blijkt dat de rechter alleen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Nog niet zo lang geleden, namelijk op 6 juli 2022, is het eerdere verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag te beëindigen afgewezen. De vraag is allereerst of er sinds die beslissing iets is gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Hoewel niet is gebleken dat de vader beslissingen over het gezag belemmert, ervaart [de minderjarige] het als belastend dat hij mede het gezag over haar uitoefent. Dit heeft zij naar voren gebracht in haar gesprek met de kinderrechter en dit blijkt uit de informatie die uit haar behandeling naar voren is gekomen. Het gaat sinds de vorige beschikking nog niet beter met [de minderjarige] – en ook niet met [jong-minderjarige] – en er is nog altijd geen contact met de vader. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag.
Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen in de beschikking van 6 juli 2022 is het uitgangspunt dat gezamenlijk ouderlijk gezag in het belang van het kind is. In de huidige procedure moet de rechtbank kijken naar de vraag of er nu een andere beslissing moet worden genomen. Daarbij moet zij alle belangen betrekken en tegen elkaar afwegen. Dat de moeder belang heeft bij eenhoofdig gezag en de vader bij gezamenlijk gezag is duidelijk, maar deze belangen zijn tegengesteld aan elkaar. Het belang van [de minderjarige] geeft voor de rechtbank daarom de doorslag. Beide ouders hebben er op zitting ook blijk van gegeven dat zij het belang van [de minderjarige] voorop stellen. De rechtbank duidt dat belang op dit moment zo dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is om het gezag te beëindigen. Het in stand houden van het gezag, ondanks dat de Raad zegt dat gezamenlijk gezag in de regel in het belang van het kind is, lijkt niet in het belang [de minderjarige] te zijn. In het kindgesprek heeft [de minderjarige] verteld dat zij minder angst en meer rust zal ervaren als haar vader geen gezag meer over haar heeft. Duidelijk is dat zij er veel moeite mee heeft dat haar vader betrokken is en moet worden bij de beslissingen die over haar gaan en dat dit grote invloed heeft op haar welbevinden. Dit acht de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . Gezien de leeftijd van [de minderjarige] is de rechtbank van oordeel dat met haar gevoelens en emoties rekening moet worden gehouden. De rechtbank betreft daarbij ook het feit – hoe verdrietig ook – dat de vader feitelijk al vier jaar geen rol meer in het leven van [de minderjarige] speelt en hij daardoor ook niet goed meer haar belang kan duiden bij te nemen beslissingen. Dit betekent dat het belang van de vader bij het in stand laten van het gezamenlijk gezag moet wijken voor het belang van [de minderjarige] , en daarmee ook het belang van de moeder, om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De rechtbank zal daarom bepalen dat voortaan alleen de moeder met het gezag over [de minderjarige] zal zijn belast.
De rechtbank hoopt dat dit de rust zal brengen die [de minderjarige] verwacht te krijgen, en verwacht dat dit ook bij de vader zal [geboorteplaats 1] tot acceptatie van deze beslissing.
De rechtbank merkt op dat de vader zich tijdens de zitting alleszins redelijk heeft opgesteld – niet alleen ten aanzien van zijn recht op informatie, maar ook ten aanzien van de kinderalimentatie – en dat hij er daarmee blijk van heeft gegeven in het belang van [de minderjarige] te willen handelen. Deze beslissing laat dan ook onverlet dat de vader er als juridische ouder van [de minderjarige] recht op heeft om over belangrijke ontwikkelingen in haar leven geïnformeerd te worden. De vader heeft op de zitting de wens uitgesproken om geïnformeerd te blijven worden over de ontwikkeling en gezondheid van – in ieder geval – [de minderjarige] . De rechtbank verwacht van de moeder dat zij als gezaghebbende ouder die wettelijke plicht vervult. Dat is het minste wat zij richting de vader maar ook in het belang van [de minderjarige] kan doen.
Tot slot hecht de rechtbank er aan de ouders te laten weten dat zij vandaag in een aparte brief ook aan [de minderjarige] zelf als volgt heeft uitgelegd wat haar beslissing is:
Beste [de minderjarige] ,
In het gesprek dat wij hebben gehad vertelde je mij dat je het fijn zou vinden als jouw vader geen gezag meer over jou heeft, omdat hij dan geen dingen meer over jou weet en je van hem dan geen toestemming meer nodig hebt.
Dictum
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2021 – :
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] , geboren op [geboortedag 3] 1977 te [geboorteplaats 3] , het ouderlijk gezag toekomt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
*
bepaalt de door de vader met ingang van 1 mei 2024 te betalen alimentatie voor de minderjarige [de minderjarige] op € 397,- per maand, vermeerderd met de jaarlijkse indexering;
en bepaalt de door de vader van 1 mei 2024 tot 1 mei 2027 te betalen extra bijdrage ten behoeve van sport voor [de minderjarige] op € 100,- per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering;
*
bepaalt de door de vader met ingang van 1 mei 2024 te betalen bijdrage voor de jong-meerderjarige [jong-minderjarige] Bogaards, geboren op [geboortedag 2] 2005 te [geboorteplaats 2] , op € 100,- per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering;
en bepaalt dat bovenstaande bijdrage voor [jong-minderjarige] na haar 21ste verjaardag zal eindigen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 21 mei 2024.