Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:10633
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,337 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20397
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, daaronder mede begrepen haar rechtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij het besluit van 7 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser al internationale bescherming geniet in Bulgarije.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk, en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 8 april 2024 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser sinds 28 december 2023 al internationale bescherming heeft in Bulgarije.
3. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat in Bulgarije de mogelijkheden om te integreren beperkt zijn en dat de toegang tot sociale voorzieningen en gezondheidszorg zeer beperkt is. Hierbij wordt verwezen naar het meest recente AIDA-rapport. Verder is wetgeving aangenomen waardoor de internationale status kan worden ingetrokken wanneer de identiteitsdocumenten niet binnen 30 dagen na het verlopen zijn verlengd. Hierbij wordt verwezen naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 8 maart 2023.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat ter zitting door de gemachtigde van eiser is medegedeeld dat diens verblijfsvergunning nog niet is verlopen en dat de wetswijziging derhalve nog geen gevolgen heeft voor hem. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen verdere bespreking.
5. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De situatie is voor statushouders in Bulgarije weliswaar slecht, maar de situatie is niet zo ernstig dat er sprake is van ‘verregaande materiële deprivatie’ als bedoeld in het arrest Ibrahim. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van 1 november 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De Afdeling overweegt daarin dat de Bulgaarse autoriteiten weliswaar nog steeds geen ondersteuning verlenen bij integratievoorzieningen aan statushouders, maar dat zij niet structureel op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften zoals wonen, onderdak, eten en zorg. De gevolgen van de zero integration policy halen de drempel van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM niet. Het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst laat geen wezenlijk ander beeld zien dan die is betrokken bij de uitspraak van de Afdeling en leidt niet tot een ander oordeel. Verder volgt uit eisers verklaring dat hij kort na het verkrijgen van internationale bescherming uit Bulgarije is vertrokken. Uit zijn verklaringen blijkt dan ook niet dat hij serieuze inspanningen heeft verricht om zich in Bulgarije te vestigen en zijn rechten daar te effectueren. Gelet hierop mocht verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan ten aanzien van Bulgarije. De aanvraag is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rapport van Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Bulgaria (2023 Update)’, april 2024.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.
ECLI:NL:RVS:2023:3967.
Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Gehoor bescherming EU/EER, pagina 4.