Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-14
ECLI:NL:RBDHA:2024:10574
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
728 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33703
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Bij het bestreden besluit van 24 oktober 2023 heeft het verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Is er een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4. Verzoeker stelt dat er een spoedeisend belang is, omdat het bezwaar geen schorsende werking heeft en hij uitgezet kan worden als hij Nederland niet verlaat. Daarnaast is het voor verzoeker ongewenst om zijn medische behandeling te onderbreken. Bovendien wordt hij financieel benadeeld, als hij Nederland moet verlaten. Hij zal dan kosten moeten maken voor de heen- en terugreis.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen spoedeisend belang is, omdat er geen concrete plannen zijn om verzoeker uit te zetten. Dat verzoeker mogelijk kosten zal maken voor zijn terugreis, maakt dit niet anders.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang, nu er geen concrete plannen zijn om verzoeker uit te zetten. Nu verzoeker niet zal worden uitgezet zal zijn medische behandeling niet worden onderbroken. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat eventuele financiële belangen onvoldoende reden vormen om een voorlopige voorziening te treffen. Dat geldt ook voor het betoog van verzoeker dat er na een afwijzend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mogelijk wel concrete uitzettingshandelingen zullen plaatsvinden.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.