Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:10489
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,294 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10348
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en
de minister van Asiel en Migratie (dan wel diens rechtsvoorgangers), de minister.
Procesverloop
Eiser heeft op 8 juni 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 31 maart 2023 afgewezen.
Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft het beroep van eiser bij uitspraak van 20 december 2023 gegrond verklaard en het besluit van 31 maart 2023 vernietigd. De minister moest daarom opnieuw een besluit nemen op de aanvraag van eiser.
Bij brief van 18 februari 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 10 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Op 11 juni 2024 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser.
De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft niet gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. In de uitspraak van 20 december 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem de minister opgedragen om binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser. Als binnen die termijn werd besloten om eiser aanvullende te horen, moest de minister moest binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen. De rechtbank stelt vast dat de minister eiser niet aanvullend heeft gehoord. De nadere beslistermijn verstreek daarom op 15 februari 2024. De rechtbank stelt vast dat eiser de minister vervolgens rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
5. Op 11 juni 2024 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser. Gelet hierop is er voor de rechtbank geen aanleiding om conform artikel 8:55d, van de Awb te bepalen dat de minister alsnog een besluit op het verzoek dient te nemen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
6. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid van de Awb. De rechtbank heeft eiser op 18 juni 2024 verzocht om, als hij het niet eens is met het besluit, uiterlijk 2 juli 2024 uit te leggen waarom hij het niet eens is met het besluit. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 11 juni 2024, is daarom eveneens niet-ontvankelijk.
7. De rechtbank ziet wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van
€ 875,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 11 juni 2024, niet-ontvankelijk;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zaaknummer NL23.10575