Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:10230
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,959 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/655465 / JE RK 23-2106
Datum uitspraak: 12 juni 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader
en
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
hierna tezamen te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de beschikking van 7 december 2023;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 30 mei 2024.
1.2.
Op 12 juni 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder ondersteund door haar vader, [naam 3] ;
- de pleegouders.
Feiten
2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 7 december 2023.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de resterende duur van zes maanden en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Motivering
Om te zorgen voor meer stabiliteit in de situatie van de moeder is het van belang dat zij hiervoor nog behandelingen volgt. Dit is daarnaast wenselijk omdat [minderjarige] meer vraagt dan van een gemiddelde opvoeder. De afgelopen weken lijkt [minderjarige] onrustiger, snel geprikkeld en plast zijn regelmatig in haar broek. Ook lijkt ze overal de controle over te willen.
Daarnaast uit de gecertificeerde instelling zorgen over de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. Door de onderlinge spanningen zit [minderjarige] klem tussen de belangrijkste hechtingsfiguren in haar leven.
Ondanks de positieve ontwikkelingen is een (volledige) thuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment niet haalbaar.
De gecertificeerde instelling is voornemens om een gezinsopname uit te voeren. De gecertificeerde instelling geeft aan dat dit een ingrijpende gebeurtenis zal zijn voor [minderjarige] , maar van belang is om te kijken waar de mogelijkheden liggen. Er zijn nog altijd zorgen, maar ook positieve ontwikkelingen waardoor de gecertificeerde instelling een gezinsopname passend vindt.
4De standpunten
4.1.
De moeder heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het verzoek. De moeder geeft aan dat zij verschillende praktische problemen ziet voor de gezinsopname bij [instelling] . De moeder ziet hierdoor bezwaren voor de gezinsopname, maar geeft aan dat zij akkoord is met de gezinsopname als dit in het belang van [minderjarige] is.
4.2.
Door de pleegouders is ingestemd met het verzoek. De pleegouders geven aan dat [minderjarige] de laatste periode erg onrustig is doordat het voor haar onduidelijk is waar ze aan toe is. De pleegouders verwachten dat de mededeling van de moeder dat zij een nieuwe woning heeft gevonden hiervan de oorzaak is. [minderjarige] heeft veel vragen. Daarnaast geven de pleegouders aan dat [minderjarige] minder goed slaapt, elke dag in haar broek plast en de hele dag zegt dat ze thuis wil blijven. De pleegouders stellen dat ze de moeder alles gunnen, maar dat dit wel in het belang van [minderjarige] moet zijn. De pleegouders vinden een gezinsopname van achttien weken wenselijker dan een gezinsverkenning van korte duur.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] ervaart veel spanningen en stress in de huidige situatie. [minderjarige] lijkt voortdurend in de stresstand te staan. Ze is snel geprikkeld, vraagt om veel aandacht van haar opvoeder en plast vrijwel dagelijks in haar broek. Ook zijn er sterke aanwijzingen van een (gehechtheids)trauma bij [minderjarige] . Het is belangrijk dat hier de komende periode de benodigde hulpverlening voor wordt gestart.
De moeizame relatie tussen de moeder en de pleegouders blijft daarnaast een punt van aandacht. Als gevolg hiervan komt [minderjarige] klem te zitten tussen haar hechtingsfiguren. Op dit moment acht de kinderrechter thuisplaatsing van [minderjarige] niet in haar belang, omdat zij meer vraagt dan van een gemiddelde opvoeder. De moeder heeft de afgelopen periode positieve ontwikkelingen laten zien, maar door de betrokken hulpverlening worden er echter ook nog altijd zorgen geuit.
Het is wenselijk dat er de komende periode een gezinsopname zal plaatsvinden waardoor onderzocht kan worden of en onder welke voorwaarden thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk is.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 16 december 2024;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 16 december 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 27 juni 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.