Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:10176
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,725 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.25969 (terugkeerbesluit) en NL24.24917 (bewaring)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam]
, eiser,
geboren op [geboortedatum],
van gestelde Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2024 heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 1) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. De staatssecretaris heeft op diezelfde dag aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit (bestreden besluit 2) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 1 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 juni 2024, met behulp van telehoren, gevoegd op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Tevens is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1
1. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft, hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.
De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
1.2.
Ter zitting heeft de staatssecretaris lichte grond 4e laten vallen.
2. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Grondslag
3. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf; eiser heeft op 9 april 2024 een meeromvattende afwijzende beschikking en op 15 juni 2024 een aanvullend terugkeerbesluit ontvangen.
Gronden
4. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 4c en 4d, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de staatssecretaris dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2020 volgt dat, om de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3e aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De staatssecretaris heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij het Schengengebied en Nederland op illegale wijze is ingereisd via zee (3a), op 19 december 2023 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken (3b), op 9 april 2024 een meeromvattende afwijzende beschikking heeft gekregen en aan de daarin gestelde vertrektermijn geen gevolg heeft gegeven (3c), geen actie heeft ondernomen om aan identificerende documenten te komen (3d) en eerder heeft aangegeven Algerijns te zijn, maar blijkt een Marokkaans identiteitsdocument op zijn telefoon te hebben staan en nu aangeeft Libisch te zijn (3e). Voorts heeft de staatssecretaris eiser terecht tegengeworpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft (4c) en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (4d). De staatssecretaris heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.
Lichter middel
5. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, de plicht tot terugkeer, die volgt uit het terugkeerbesluit en de verklaringen van eiser dat hij niet wil terugkeren naar Algerije of Marokko, is de staatssecretaris er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Voorts is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding heeft moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen. De staatssecretaris heeft eisers belangen kenbaar betrokken bij de maatregel en aangegeven dat eiser in het detentiecentrum medische hulp kan krijgen, die gelijk is aan de medische hulp in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid
6. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris op dag drie (18 juni 2024) een eerste uitzettingshandeling heeft verricht, namelijk door het houden van een vertrekgesprek. In het algemeen geldt dat een eerste uitzettingshandeling op dag zes van de inbewaringstelling voldoende voortvarend is. De rechtbank is niet van bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven hiervan af te wijken. De rechtbank overweegt voorts dat de staatssecretaris op 29 mei 2024 een laissez-passer (lp) aanvraag heeft gedaan voor eiser en dat de staatssecretaris ten tijde van de strafrechtelijke detentie van eiser tweemaal een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, te weten op 29 mei 2024 en 13 juni 2024. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
7. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. Dit geldt eveneens voor ongedocumenteerde vreemdelingen zoals eiser.
7.1.
De rechtbank is voorts van oordeel dat ook zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Er zijn geen aanknopingspunten dat Marokko voor eiser in het bijzonder geen lp zal afgeven, of dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
7.2.
Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent. Nu de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten, is er geen grond voor het oordeel dat zij, indien eiser zijn medewerking verleent, geen lp op zijn naam willen verstrekken.
Over bestreden besluit 2
8. Eiser stelt dat het aanvullend terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd. Hiertoe voert eiser aan dat de onderbouwing voor het aanvullend terugkeerbesluit naar Marokko alleen is gelegen in de aangetroffen foto op de telefoon van eiser. Voorts betoogt eiser dat de tolk in het gehoor niet had mogen constateren dat eiser Marokkaans is; hij stelt dat die taak is voorbehouden aan een taalanalist.
9. De staatssecretaris heeft op 15 juni 2024 een aanvullend terugkeerbesluit genomen. In het aanvullend terugkeerbesluit staat vermeld dat het een vervolg en aanvulling betreft op het terugkeerbesluit van 9 april 2024, dat als herhaald en ingelast moet worden beschouwd en dat de terugkeerverplichtingen van de Nederlandse overheid zich ook zullen richten op Marokko.
10. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit terecht heeft genomen.
Dictum
De rechtbank:- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RVS:2020:829.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:RVS:2020:989, onder 2.2.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:20233033.
Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.