Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:1017
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,769 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1033
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Bij besluit van 2 januari 2024 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 15 januari 2024 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft op 16 januari 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Toetsingskader
2. Eiser zit in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op grond van artikel 59, derde lid, van de Vw wordt de bewaring beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Op grond van het vijfde lid duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw kan de bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
4. Verweerder moet in het verlengingsbesluit volgens het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vc nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de
vreemdeling onredelijk bezwarend is, en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende
gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest
Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. Er hoeft geen
aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden bij het bepalen of de maatregel van bewaring verlengd mag worden.
Verlengingsbesluit
5. Eiser voert aan dat de termijn van zes maanden is overschreden. Eiser meent dan ook dat de bewaring opgeheven dient te worden.
6. De rechtbank stelt op grond van de door verweerder overgelegde stukken vast dat verweerder op 2 januari 2024 een verlengingsbesluit heeft genomen en aan eiser heeft uitgereikt. De rechtbank is van oordeel dat het verlengingsbesluit is genomen binnen de daarvoor gestelde termijn van zes maanden. Deze “zes maanden-termijn” bedraagt feitelijk 180 dagen en niet zes kalendermaanden, wat betekent dat het verlengingsbesluit moet worden genomen vóór het verstrijken van de 180e dag. In onderhavig geval betekent dit dat het verlengingsbesluit uiterlijk op 3 januari 2024 had moeten worden genomen. Verweerder heeft het verlengingsbesluit genomen op de 179e dag na de inbewaringstelling, namelijk op 2 januari 2024. Verweerder heeft de termijn van zes maanden dus niet overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Voorwaarden voor verlenging
7. Eiser meent dat hij wel meewerkt aan zijn terugkeer naar Marokko. Eiser verwijst daarbij naar de Whatsappgesprekken tussen zijn zus en een medewerker van de Marokkaanse ambassade. Gelet op het feit dat eiser medewerking verleend aan zijn uitzetting staat immers vast dat dat eiser niet willens en wetens die uitzetting frustreert. Ook blijkt uit het dossier niet dat eiser vanaf het begin niet zou hebben meegewerkt. Eiser is immers eerder altijd op de afspraken verschenen. Voorts heeft eiser geen origineel paspoort meer omdat deze is gestolen. Het is voor hem dan ook niet mogelijk om het origineel te overleggen.
8. Verweerder heeft evenwel terecht aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegd dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Niet kan worden gesproken van een volledige en actieve medewerking van eiser. Er zijn tien vertrekgesprekken met eiser gevoerd, die niet hebben geleid tot eisers vertrek.
Verder heeft eiser op 26 oktober 2023 geweigerd mee te werken aan het afgeven van vingerafdrukken. Hierdoor is het LP -traject onnodig vertraagd. De verwijzing naar de Whatsappgesprekken leidt niet tot een ander oordeel. Hieruit volgt dat de zus van eiser contact heeft gehad met de regievoerder. Hieruit blijkt echter niet dat daadwerkelijk contact heeft plaatsgevonden tussen de zus van eiser en de Marokkaanse autoriteiten
om de afgifte van een LP te bespoedigen. Het enkele feit dat eiser een vrijwilligersbrief heeft geschreven is bovendien onvoldoende om te stellen dat hij volledig en actief meewerkt. Dat eiser stelt dat hij geen origineel paspoort meer heeft, laat ook onverlet dat deze nog steeds ontbreekt en eiser geen stappen heeft ondernomen om identificerende documenten te verkrijgen.
Gronden voor bewaring
9. Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende ingaat om de gronden voor bewaring en de mogelijkheid voor uitzetting. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit niet dat eiser niet meewerkt en/of waarom de benodigde documentatie op zich laat wachten. Eiser meent dan ook dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de gronden nog voldoende dragend zijn. Verder wijst eiser op een uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2011 waaruit blijkt dat voor de verlenging van de bewaring eerst moet worden beoordeeld of de bewaring nog steeds gerechtvaardigd is. Uit het bestreden
besluit blijkt niet dat eerst is beoordeeld of de bewaring nog steeds gerechtvaardigd is. Er
wordt immers slechts verwezen naar een eerdere uitspraak van de rechtbank van 21 december 2023.
10. Het verlengingsbesluit verwijst naar de gronden van bewaring zoals opgenomen in de maatregel van 7 juli 2023. De rechtbank stelt vast dat eiser niet gemotiveerd heeft betwist dat de gronden die aan het verlengingsbesluit ten grondslag liggen feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, en evenmin dat deze gronden de conclusie rechtvaardigen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Niet is gebleken dat de gronden, zoals die eerder door de rechtbank zijn getoetst, zich niet langer voordoen. Gelet hierop bestaat nog altijd het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
11. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Sinds de vorige uitspraak van 21 december 2023 heeft er geen presentatie aan Marokkaanse vertegenwoordiging plaats gevonden en tot op heden is de verzochte LP nog niet afgegeven. Daarnaast heeft verweerder een keer een rappel gestuurd. Bovendien merkt eiser op dat tot op heden geen document voor een grensoverschrijding is verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft niet voldoende onderbouwd dat de Marokkaanse autoriteiten op korte termijn over zullen gaan tot het afgeven van een lp en dat eiser op korte termijn verwijderd zal worden. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 24 oktober 2023.
12. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2023, van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder regelmatig rappelleert bij de Marokkaanse autoriteiten en bovendien via het DIA op meerdere momenten aandacht heeft gevraagd voor de zaak van eiser. Daarnaast voert verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser. Het gegeven dat nog geen presentatie is ingepland, betekent niet dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De Marokkaanse autoriteiten hebben immers te kennen gegeven dat niet langer voor alle LP-aanvragen een presentatie in persoon is vereist. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage van verweerder dat de Marokkaanse autoriteiten op 13 december 2023 per note verbale de nationaliteit van eiser hebben bevestigd. Op 14 december 2023 heeft verweerder het consulaat-generaal van Marokko verzocht om de afgifte van een lp. Op 2 januari 2024 heeft verweerder bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd.
Conclusie
16. Verweerder heeft in het verlengingsbesluit genoegzaam gemotiveerd dat aan alle uit de Vreemdelingenwet, de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit wordt voldaan.
17. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 94, zevende lid, van de Vw.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Richtlijn 2008/115/EG.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.
Paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:194.
Laissez-passer.
ABRvS, 25 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9560
Zie de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20622.
ECLI:RBDHA:2023:16048.
ECLI:NL:RVS:2023:3033.
Dienst Interne Aangelegenheden.
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.