Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:10129
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,799 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24581
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 29 april 2024 en opgeheven op 10 juni 2024. Toen is een nieuwe maatregel opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De nieuwe maatregel ligt niet ter toetsing voor.
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 21 mei 2024.
3. De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
4. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
5. Uit de uitspraak van 21 mei 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 14 mei 2024) tot de opheffing op 10 juni 2024 onrechtmatig is geweest. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
6. Het beroep is ongegrond. De maatregel is in de periode van 14 mei 2024 tot aan de opheffing daarvan op 10 juni 2024 niet onrechtmatig geweest. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had eiser op enig moment van 14 mei 2024 tot aan 10 juni 2024 niet langer rechtmatig verblijf?
7. Eiser voert primair aan dat hij vanaf 1 juni 2024 geen rechtmatig verblijf meer had en de maatregel dus vanaf dat moment onrechtmatig was. Op die datum is immers het besluit genomen om de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. In dat besluit staat dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft. Dit volgt ook uit artikel 82, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Op grond van artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) mag de uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening wel afgewacht worden. Er is tegen het besluit echter geen beroep ingesteld of een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Op grond van artikel 15, tweede lid, vierde alinea en vierde lid van de Terugkeerrichtlijn, artikel 9, derde lid, tweede alinea, van de Opvangrichtlijn, artikelen 5 en 13 van het EVRM, het Handvest Grondrechten van de EU en het arrest Gnandi moet eiser dan onmiddellijk in vrijheid worden gesteld. Eiser wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 15 oktober 2019 en 7 juni 2024. Voor zover er aangenomen wordt dat een maatregel binnen 48 uren naar de juiste grondslag moet worden omgezet, had de maatregel op 3 juni 2024 moeten worden omgezet hetgeen niet is gebeurd.
Subsidiair voert eiser aan dat de maatregel vanaf 5 juni 2024 onrechtmatig was omdat in het voortgangsrapport staat dat op dat moment een inreisverbod is opgelegd. Als dat een ander inreisverbod is dan is opgelegd in het besluit van 1 juni 2024 dan zat eiser vanaf 5 juni 2024 niet langer op de juiste grondslag in bewaring. Bij oplegging van een inreisverbod kan immers geen sprake zijn van rechtmatig verblijf.
Meer subsidiair voert eiser aan dat de maatregel vanaf 8 juni 2024 onrechtmatig was, uitgaande van de rechtsmiddelentermijn van één week gesteld in het besluit van 1 juni 2024.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers asielaanvraag bij besluit van 1 juni 2024 buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dit besluit staat gelijk aan een afwijzing van de asielaanvraag. In dit besluit staat ook dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Eiser had een week de tijd om tegen dit besluit beroep in te stellen. Een beroep schort de gevolgen van dit besluit niet op. Een verzoek om voorlopige voorziening wel. Vast staat dat eiser tegen het besluit van 1 juni 2024 geen beroep heeft ingesteld of een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend. Dat betekent echter niet dat eiser daarom vanaf 1 juni 2024 niet langer rechtmatig verblijf had. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2019 leidt de rechtbank namelijk af dat eiser rechtmatig verblijf heeft gedurende de termijn die hij heeft om beroep in te stellen tegen het afwijzend asielbesluit van 1 juni 2024. Volgens eiser kan niet bij die uitspraak worden aangesloten omdat in die zaak de vreemdeling wel beroep en een verzoek om voorlopige voorziening had ingediend tegen het afwijzend asielbesluit en eiser dat in zijn zaak niet heeft gedaan. Dat volgt de rechtbank niet. Daarbij is van belang dat de Afdeling in die uitspraak in zijn algemeenheid heeft overwogen dat het arrest Gnandi er niet aan in de weg staat dat na een afwijzend asielbesluit op grond van nationale wet- en regelgeving rechtmatig verblijf wordt toegekend gedurende de rechtsmiddelentermijn. De rechtbank stelt vast dat eiser in dit geval tot en met 8 juni 2024 de tijd had om beroep in te stellen. Dat betekent dat hij tot en met 8 juni 2024 nog rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Eiser heeft er nog op gewezen dat oncontroleerbaar is wanneer het besluit van 1 juni 2024 aan eiser is uitgereikt. Voor zover dit al zo is, baat dit eiser echter niet, omdat in dat geval de beroepstermijn later is gaan lopen en eiser in dat geval ook rechtmatig verblijf had. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat op 5 juni 2024 niet een nieuw inreisverbod is opgelegd zoals eiser heeft betoogd.
7.2.
Als de bewaring niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust en de staatssecretaris de bewaring wil voortzetten, is hij gehouden voldoende voortvarend te bezien of een andere wettelijke bepaling aan de bewaring ten grondslag kan worden gelegd. Door eiser op 10 juni 2024 (binnen 48 uur na 8 juni 2024) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring te stellen heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld.Volgens eiser is het de vraag of de 48-uurs termijn waarbinnen de maatregel moet zijn omgezet op een andere wettelijke grondslag wel in lijn is met de onder 7 genoemde artikelen en het arrest Gnandi. Dat acht de rechtbank onvoldoende om af te wijken van de vaste rechtspraak van de Afdeling in deze. Dat betekent dat de bewaring van eiser op grond van artikel 59b eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 tot aan de omzetting op 10 juni 2024 op de juiste wettelijke grondslag berust, rechtmatig is en eiser niet onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de beantwoording van prejudiciële vragen worden afgewacht?
8. Eiser voert aan dat, gelet op wat hij onder 7 heeft aangevoerd, de beantwoording van de prejudiciële vragen die door rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 4 juni 2024 zijn gesteld, moet worden afgewacht en dat daarbij nadere prejudiciële vragen moeten worden gesteld met betrekking tot de vraag of het juist is dat een vreemdeling gedurende de rechtsmiddelentermijn rechtmatig verblijf heeft.
8.1.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Anders dan waar de rechtbank in de uitspraak van 4 juni 2024 vanuit gaat, heeft de rechtbank namelijk in het geval van eiser geoordeeld dat zijn bewaring in de periode die hier beoordeeld moet worden, niet op enig moment onrechtmatig is geweest. Om deze reden is de gestelde prejudiciële vraag of een vreemdeling onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld indien de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest niet relevant voor de beslechting van dit geschil.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het stellen van (nadere) prejudiciële vragen. Zoals de rechtbank onder 7.1 heeft overwogen heeft de Afdeling in zijn uitspraak van 15 oktober 2019 overwogen dat het arrest Gnandi er niet aan in de weg staat dat na een afwijzend asielbesluit op grond van nationale wet- en regelgeving rechtmatig verblijf wordt toegekend gedurende de rechtsmiddelentermijn. Daarbij is rekening gehouden met de Europese regelgeving en rechtspraak. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het stellen van (nadere) prejudiciële vragen. De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden.
Moet de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvallen?
9. Eiser voert aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 21 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7619.
Arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
ECLI:NL:RVS:2019:3442.
ECLI:NL:RVS:2024:2339.
Zie artikel 30c, derde lid, van de Vw 2000.
Zie artikel 82, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Zie artikel 7.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
ECLI:NL:RVS:2019:3442.
De rechtbank wijst in dit verband in het bijzonder op r.o. 4.3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504, ro. 2.1 en van 31 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2245, ro. 10.
Vergelijk de uitspraken genoemd in noot 8.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8499.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710, ro. 8.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162, ro. 3.2.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.