Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:10076
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,901 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19462
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat volgens de staatssecretaris Litouwen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, K. Mitaku als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Litouwen een verzoek om terugname gedaan. Litouwen heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar verklaringen over wat zij heeft meegemaakt in Litouwen en de situatie daar niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Litouwen. Daaruit blijkt immers dat Litouwen ten aanzien van eiseres een aantal artikelen van de Procedurerichtlijn heeft geschonden. De verklaringen van eiseres worden ook ondersteund door de landeninformatie genoemd in de brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN). Verder is klagen bij de Litouwse autoriteiten volgens eiseres in de praktijk onmogelijk, vanwege een gebrek aan informatie, en een gebrek aan toegang tot rechtsbijstand en tolken. Ook is in het besluit ten onrechte overwogen dat ‘niet gesteld noch gebleken is dat de detentie van eiseres onrechtmatig was’. Eiseres heeft immers in de zienswijze juist aangevoerd dat de detentie onrechtmatig was, en heeft verwezen naar de brief van VWN. Zij heeft ook aangegeven dat zij filmpjes heeft van de detentieperiode, en daarvan een beschrijving gegeven.
6. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris in zijn algemeenheid ten aanzien van lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de staatssecretaris, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat lidstaten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Litouwen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Litouwse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Daarvan is sprake in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
7. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris ten aanzien van Litouwen heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris heeft in het besluit terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 mei 2024², waarin is geoordeeld dat er op dit moment geen concrete aanwijzingen zijn voor het oordeel dat Litouwen verzoeken om internationale bescherming van Dublinclaimanten niet op zorgvuldige wijze onderzoekt en beoordeelt en daarbij niet de waarborgen zoals die voortvloeien uit de Procedure-, Opvang- of Kwalificatierichtlijn in acht neemt. De verklaringen van eiseres over wat zij in Litouwen heeft meegemaakt en de brief van VWN zijn onvoldoende voor een ander oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de verklaringen van eiseres kan namelijk niet worden afgeleid dat zij als Dublinterugkeerder in een vergelijkbare situatie terecht zal komen als toentertijd in het kader van een illegale inreis. Ook zijn de rapporten die in de brief van VWN worden aangehaald, grotendeels betrokken in Afdelingsuitspraak van 1 mei 2024. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft ter zitting verder gesteld dat de overige rapporten geen wezenlijk ander beeld schetsen van de situatie in Litouwen. Eiseres heeft dat niet / onvoldoende weersproken en ook niet duidelijk gemotiveerd waarom de brief van Vluchtelingenwerk maakt dat - anders dan in de uitspraak van de Afdeling is geoordeeld - niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Op dit punt is dus geen sprake van een motiveringsgebrek. Wel heeft de gemachtigde van de
2ECLI:NL:RVS:2024:1806.
staatssecretaris ter zitting erkend dat in het besluit ten onrechte is opgenomen dat eiseres niet gesteld heeft dat de detentie in Litouwen onrechtmatig was. Dit levert wel een motiveringsgebrek op in het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het besluit is namelijk wel gewezen op de Afdelingsuitspraak van 1 mei 2024, waarin uitgebreid is ingegaan op detentie van Dublinterugkeerders en onder meer is overwogen dat deze groep niet standaardmatig wordt gedetineerd en geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. In aanvulling hierop heeft de gemachtigde van de staatssecretaris ter zitting terecht opgemerkt dat, ook als sprake was van onrechtmatige detentie, dit niet tot een andere beoordeling leidt, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat eiseres na een begeleide overdracht in dezelfde situatie terecht zal komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in haar ervaringen in Litouwen geen aanleiding is gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Eiseres heeft in het aanmeldgehoor onder andere verklaard dat zij in Litouwen 2 jaar en enkele maanden in vreemdelingendetentie heeft gezeten. Zij is daar mishandeld en geslagen door de politie, en werd vernederend behandeld nadat zij om vrijheid had gevraagd (zij werd naakt meegenomen). Er was ook sprake van racisme, en zij kon niet communiceren via een tolk. Eiseres stelt dat zij opnames heeft op haar telefoon van hoe zij werd behandeld. In de zienswijze is toegelicht dat de detentie was van 25 juli 2021 tot 19 december 2023, is beschreven wat op de opnames te zien is, en is ook opgemerkt dat eiseres geen rechtsbijstand en rechtsmiddelen had. In het bestreden besluit stelt de staatssecretaris dat de aangevoerde omstandigheden niet relevant zijn bij de beoordeling van artikel 17 van de Dublinverordening. Volgens eiseres zijn haar ervaringen echter wel degelijk relevant voor de vraag of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening mag de staatssecretaris asielaanvragen onverplicht aan zich trekken. Een dergelijke discretionaire bepaling toetst de bestuursrechter volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter zeer terughoudend. Volgens het beleid van de staatssecretaris in onderdeel C2/5 van de Vreemdelingencirculaire wordt van deze bevoegdheid onder meer gebruik gemaakt in het geval van bijzondere, individuele omstandigheden die getuigen van onevenredige hardheid.
10. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris overwogen dat het beroep van eiseres op artikel 17 van de Dublinverordening niet slaagt, omdat de aangevoerde omstandigheden niet relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, maar betrekking hebben op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Litouwen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (c.q. het interstatelijk vertrouwensbeginsel).
Conclusie
12. Het beroep is gezien het gestelde in overweging 8 e.v. gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,-
4ECLI:NL:RVS:2021:1645.
5 ECLI:NL:RVS:2024:161.
omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 3 mei 2024;
draagt de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.