Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:10062
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13507
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 10 mei 2022. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
2.1.
Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaald dat artikelen 4:17 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a (waarin de artikelen 8:55c en 8:55d staan) en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit artikel sluit dus uit dat in een asielzaak een rechterlijke dwangsom wordt opgelegd en een bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd.
2.2.
In de uitspraak van 24 maart 2022 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daarin is bepaald dat de rechtbank de staatssecretaris geen rechterlijke dwangsom kan opleggen als hij te laat beslist op een aanvraag om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onverbindend verklaard wegens strijd met artikel 47 van het EU-Handvest. In haar uitspraak van 30 november 2022 is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot hetzelfde oordeel gekomen. Het gevolg van dit oordeel is dat de rechtbank wel een rechterlijke dwangsom kan opleggen.
3. De rechtbank beoordeelt daarom in deze uitspraak of het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond is. Omdat zij onder 4 deze vraag bevestigend beantwoordt, legt de rechtbank de staatssecretaris onder 5.2 een beslistermijn op en legt zij onder 6 de staatssecretaris een dwangsom op.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
4. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 10 mei 2022. Eiser heeft in deze zaak eerder een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij uitspraak van 27 december 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, dit beroep gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op de aanvraag bekend te maken. Aan deze termijn heeft de rechtbank een rechterlijke dwangsom verbonden van € 100 voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500. Deze dwangsom is op 25 maart 2024 volgelopen. De staatssecretaris heeft niet binnen de voorgenoemde termijn een besluit op de aanvraag van eiser bekend gemaakt.
4.1.
Eiser heeft gelet op het hiervoor genoemde op 27 maart 2024 nog een keer beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het huidige beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingediend na het verstrijken van de genoemde termijn onder 4. Ook is niet in geschil dat de dwangsom inmiddels is volgelopen. Eiser heeft de staatssecretaris niet opnieuw in gebreke hoeven stellen. De staatssecretaris heeft nog steeds geen besluit genomen op de aanvraag van eiser. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de staatssecretaris op?
5. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
5.1.
De staatssecretaris stelt in het verweerschrift dat eiser waarschijnlijk in juni 2024 gehoord kan worden en verzoekt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, om een beslistermijn van acht weken na het gehoor op te leggen.
5.2.
Uit het dossier blijkt dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. In haar uitspraak van 8 juli 2020 acht de Afdeling in een dergelijk geval een termijn van zestien weken passend, het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Wanneer de rechtbank een opvolgend beroep niet tijdig gegrond verklaart, legt de rechtbank een kortere nadere termijn op dan zij bij een eerste beroep zou doen. Daar komt bij dat in deze zaak de maximale termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. Dat vormt ook een reden om een kortere termijn op te leggen dan het 8+8 weken model.Ook bij het bepalen van de lengte van de nadere termijn bij opvolgende beroepen niet tijdig is de rechtbank echter gehouden een verantwoorde keuze te maken tussen snelheid en zorgvuldigheid. De rechter stelt de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid noch onnodig lang noch onrealistisch kort is. Om deze redenen ziet de rechtbank aanleiding om bij opvolgende beroepen niet tijdig beslissen, in gevallen waarin de vreemdeling nog niet is gehoord, te bepalen dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 5.2 genoemde termijn wordt overschreden. Omdat het beroep in deze zaak gegrond is en verweerder na de uitspraak van de rechtbank van 27 december 2023 nog steeds geen besluit heeft genomen, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 200,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de staatssecretaris de onder 5.2 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen ter zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de staatssecretaris op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van J.E. Heuven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
Rb. Den Haag (zp Arnhem) 24 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2641.
ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Rb. Den Haag (zp Utrecht) 27 december 2023, NL23.28932 (niet gepubliceerd).
Vergelijk ABRvS 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673, r.o. 8.
Dit volgt uit artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Rb Den Haag (zp Arnhem) 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12538