Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-28
ECLI:NL:RBDHA:2024:10060
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,750 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14815
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. G.J. Douma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 4 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 29 maart 2024 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep, op zitting aangehouden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 4 juni heropend en geschorst omdat er geen tolk aanwezig was. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 12 juni 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en een tolk alsmede de gemachtigde van de staatssecretaris. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag van eiser Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft op 4 januari 2024 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De staatssecretaris heeft geconstateerd dat eiser in Bulgarije geregistreerd staat. Na een verzoek ingevolge de Dublinverordening, hebben de Bulgaarse autoriteiten laten weten dat eiser aldaar op 5 juni 2023 om internationale bescherming heeft gevraagd en dat eiser op 18 september 2023 in Bulgarije subsidiaire bescherming heeft gekregen. De staatssecretaris heeft eisers aanvraag als niet-ontvankelijk afgewezen op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en letter a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5. Eiser betwist dat hij in Bulgarije is geweest, dat hij daar vingerafdrukken heeft afgestaan en dat hij daar om internationale bescherming heeft gevraagd. Eiser is per oktober 2023 uit Syrië vertrokken. Hij stelt zich op het standpunt dat er sprake is van persoonsverwisseling. De staatssecretaris dient volgens hem nader onderzoek te doen, bijvoorbeeld het opvragen van een foto. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting van 12 juni 2024 een document overgelegd. Eiser heeft daarover verklaard dat het een individueel uittreksel betreft, in oktober 2023 afgegeven, met gegevens van eiser zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht. Het is het enige document dat zou kunnen aantonen dat hij pas in oktober 2023 is vertrokken. Eisers ID-kaart is bij zijn ouders in Syrië, omdat hij bang was het document onderweg kwijt te raken. Het opsturen is niet (makkelijk) mogelijk.
6. De staatssecretaris stelt zich hierover op het standpunt dat uit de registratie in het Eurodac-systeem blijkt dat eiser op 5 juni 2023 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verder is de staatssecretaris gebleken dat de Bulgaarse autoriteiten op 18 september 2023 aan eiser internationale bescherming hebben verleend. De staatssecretaris heeft ter zitting daarop aangevuld dat bij de vingerafdrukken in Bulgarije ook de (gestelde) personalia van eiser geregistreerd zijn. Over het overgelegde document stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat de essentie volstrekt onduidelijk is, maar ook dat het vreemd is dat eiser het nu pas aanbrengt. Eiser heeft er niet eerder over gesproken. De staatssecretaris merkt verder op dat, al zou er een datum op staan – het document is namelijk niet vertaald – dit niet wil zeggen dat het op die datum in persoon aan eiser is afgegeven. Het is onvoldoende om niet langer uit te gaan van gegevens uit Bulgarije, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
7. De rechtbank stelt voorop dat de staatssecretaris in beginsel mag afgaan op de informatie uit het Eurodac-systeem. Er is een match naar voren gekomen op basis van vingerafdrukken. Vingerafdrukken zijn uniek en persoonsgebonden. Daar komt bij dat de informatie uit het Eurodac-systeem wordt bevestigd door de informatie van de Bulgaarse autoriteiten. De informatie houdt in dat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet.
De stelling van eiser dat van een persoonsverwisseling sprake zou zijn, is niet onderbouwd. Eiser heeft voor zijn gestelde identiteit geen bewijsmiddelen overgelegd. Eiser heeft hierover verklaard dat zijn identiteitskaart in Syrië is omdat hij vreesde die onderweg kwijt te raken en dat het heel moeilijk is (voor zijn ouders) om zijn identiteitspapieren op te laten sturen. De rechtbank ziet, hoewel eiser ontkent in Bulgarije te zijn geweest en aldaar vingerafdrukken te hebben afgestaan, geen aanleiding om de staatssecretaris nader onderzoek te laten doen naar de identiteit van eiser. Het document dat eiser heeft ingebracht biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. De staatssecretaris heeft terecht aangenomen dat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
8. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaak NL24.14816
zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2625, punt 3.2.