Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:1000
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,343 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1589
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2024 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Tevens is daar een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser voert in beroep aan dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Voorafgaand aan het gehoor voor de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven een advocaat bij dit gehoor te willen. Omdat de piketadvocaat op dat moment een andere afspraak had, heeft deze aangegeven dat niet op hem gewacht hoefde te worden en dat eiser gehoord kon worden. De gemachtigde van eiser is vervolgens om 16.00 uur alsnog op het arrestantencomplex te Groningen verschenen. Hij heeft bij binnenkomst gemeld dat hij kwam voor eiser. Vervolgens heeft hij eiser ook gesproken. Na dit gesprek – waarbij de gemachtigde gelet op zijn eerdere bericht dat hij een andere afspraak had en niet met het gehoor hoefde te worden gewacht – is de gemachtigde weer weggegaan. Op een later moment is de gemachtigde gebleken dat eiser op dat moment nog niet gehoord was. Het gehoor is immers pas aangevangen om 17:34 uur, zonder aanwezigheid van de gemachtigde. Eiser stelt dat nu hij een gemachtigde bij het gehoor wilde en deze gemachtigde ook bij het gehoor kon en wilde zijn maar hij toch is gehoord zonder bijstand van een raadsman, zijn recht op rechtsbijstand is geschonden.
2. De staatssecretaris heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat gehoord kon worden zonder het bijzijn van een raadsman omdat uit paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat indien een vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is, gehoord kan worden. Bovendien had de gemachtigde van eiser reeds verklaard dat niet op hem gewacht hoefde te worden voordat kon worden gehoord. Dat de gemachtigde van eiser alsnog op het detentiecentrum verscheen, verandert hier volgens de staatssecretaris niks aan.
Oordeel rechtbank
3. De rechtbank stelt vast dat de gang van zaken en het tijdsverloop zoals beschreven door de gemachtigde van eiser en zoals weergegeven in r.o. 1, niet door de staatssecretaris worden bestreden.
3.1
In paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat, voor zover hier van belang, het volgende.
De ambtenaar stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de voorgenomen inbewaringstelling.
Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat:
- indien de vreemdeling geen advocaat bij het gehoor wenst;
- indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen of te willen zijn; of
- indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is.
Indien de vreemdeling wordt gehoord in het bijzijn van een advocaat, wordt de advocaat op diens verzoek in de gelegenheid gesteld om na afloop van het gehoor een zienswijze te geven over de voorgenomen inbewaringstelling.
3.2.
De staatssecretaris wijst er terecht op dat er een aantal situaties zijn waarin het gehoor kan beginnen zonder bijzijn van een advocaat. Dat neemt niet weg dat die situaties zich hier niet (meer) voordoen, omdat de gemachtigde uiteindelijk voordat met het gehoor is begonnen aanwezig was op de locatie en duidelijk was dat eiser wilde dat de gemachtigde aanwezig zou zijn bij het gehoor. Dat de gemachtigde eerder heeft aangegeven dat hij vanwege een andere afspraak niet in staat was het gehoor bij te wonen en wat hem betreft kon worden begonnen met het gehoor, maakt dat niet anders. Immers op het moment dat de gemachtigde op de locatie was, was nog niet begonnen met het gehoor. Dat gemachtigde toen zou hebben aangegeven dat hij niet in staat zou zijn aanwezig te zijn bij het gehoor dat om 17:34 uur is begonnen, is niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris onder deze omstandigheden aanleiding had moeten zien bijstand door de gemachtigde tijdens het gehoor te bewerkstelligen. Door eiser te horen zonder, nogmaals, de gemachtigde van eiser hierover te informeren is eisers recht op toevoeging van een raadsman bij vrijheidsontneming, bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Vw, geschonden. Hierdoor is hij in zijn (verdedigings)belangen geschaad.
3.3.
Dit gebrek maakt de inbewaringstelling, indien voor de rest aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De omstandigheid dat een vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring rechtsbijstand is onthouden en in dat verband onjuist is voorgelicht, is een ernstig gebrek. Gelet hierop en nu niet is gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van de staatssecretaris die aanleiding kunnen geven om aan het gebrek voorbij te gaan, valt de belangenafweging in het voordeel van eiser uit.
3.4.
Het vorenstaande betekent dat de inbewaringstelling van eiser van aanvang af onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (30 januari 2024).
5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 130,- (verblijf politiecel) en 15 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.630,-.
6. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag (30 januari 2024);
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.630,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1571, 4 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2207, en 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2300.