Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:9443
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,262 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17738
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 5 juni 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting. Aan de zitting hebben deelgenomen: mr. M.H.K. van Middelkoop, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, omdat pas op de elfde dag van de bewaring uitzettingshandelingen zijn verricht.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Eiser is op 5 juni 2023 in bewaring gesteld. Op 15 juni 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag voor een laissez-passer verzonden en het eerste vertrekgesprek gevoerd met eiser. Door de staatssecretaris zijn geen omstandigheden aangevoerd waarom er in dit geval pas op de elfde dag is begonnen met een uitzettingshandeling. Namens de staatssecretaris is op de zitting verklaard dat hier sprake is van een ongedocumenteerde vreemdeling, maar het dossier bevat geen aanknopingspunten dat de staatssecretaris om die reden nader onderzoek heeft verricht. Met die omstandigheid is ook niet inzichtelijk gemaakt waarom de staatssecretaris een vertrekgesprek, een LP-aanvraag of een andere kenbare handeling die op uitzetting is gericht redelijkerwijs niet eerder dan op de elfde dag van de bewaring heeft kunnen verrichten. De verwijzing van de staatssecretaris naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 2010 leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar ging het in die zaak om een ongedocumenteerde vreemdeling, maar uit de uitspraak blijkt niet dat de daaraan ten grondslag gelegde casus vergelijkbaar is met deze zaak. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris onvoldoende voortvarend gehandeld.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Gelet hierop hoeven de overige beroepsgronden niet beoordeeld te worden. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 juni 2023.
6.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 24 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 24 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.400,-.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet deze betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 juni 2023;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Gerwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS, 1 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0748.