Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2023:9072
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
852 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11238
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiseres
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).
Procesverloop
Bij besluit van 12 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, zaak NL23.11239, op 9 juni 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Het is niet in geschil dat op grond van de Dublinverordening het asielverzoek van eiseres door Duitsland in behandeling moet worden genomen. Die verantwoordelijkheid vloeit voort uit het gegeven dat eiseres een visum voor dat land heeft gekregen. De Duitse autoriteiten hebben zich bereid verklaard om de asielaanvraag te behandelen.
2. Niet is gebleken van een belemmering om eiseres aan Duitsland over te dragen. Eiseres heeft in dit verband verklaard dat zij in Duitsland niemand heeft, terwijl zij in Nederland goede vrienden heeft. Verweerder heeft hiervan kunnen zeggen dat dat geen relevante omstandigheden zijn voor de vraag of Nederland de verantwoordelijkheid aan zich zou moeten trekken. Dat geldt ook voor de verklaring van eiseres dat ze graag wil studeren aan een Nederlandse universiteit.
3. Voor zover zij daarnaast bij zienswijze en in beroep heeft gesteld dat zij in Duitsland min of meer gedwongen werd om nog vóór de afloop van de geldigheidsduur van het aan haar verleende visum terug te keren naar Syrië, heeft verweerder terecht op gewezen op het claimakkoord en de gebondenheid van Duitsland aan de Europese asielrichtlijnen. Eiseres had dan ook asiel kunnen vragen in Duitsland. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht aan Duitsland in haar geval zal leiden tot indirect refoulement. Zoals verweerder ten slotte ook heeft overwogen heeft eiseres in Duitsland de mogelijkheid om te klagen over eventuele schending van haar rechten als asielzoekster.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Verweerder hoeft de door eiseres gemaakte proceskosten niet te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2023 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.