Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:8840
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
907 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.19674
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam] , opposante
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen).
Procesverloop
Opposante heeft tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) van 19 november 2021 (bestreden besluit I) beroep ingesteld. Op grond van artikel 6:19 van de Awb was het beroep van opposante mede gericht tegen het besluit van verweerder van 17 maart 2022 (bestreden besluit II).
Bij uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank onder meer het beroep gegrond verklaard en verweerder veroordeeld in proceskosten die opposante heeft gemaakt.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. Er is geen aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de proceskosten die opposante in bezwaar heeft gemaakt. Ook het verzoek van opposante om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft verweerder veroordeeld in de proceskosten van opposante ter hoogte van € 837,-.
2. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de vaststelling dat bestreden besluit I onrechtmatig was, had dienen te leiden tot een veroordeling van verweerder in de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten. Dit is volgens opposante ten onrechte en ongemotiveerd niet gebeurd. Verder stelt opposante dat de rechtbank in de uitspraak had moeten bepalen dat verweerder het door haar betaalde griffierecht ter hoogte van € 181,- had moeten vergoeden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Op 5 juni 2023 heeft de rechtbank een hersteluitspraak gedaan. Het dictum van de uitspraak van 20 februari 2023 is daarbij hersteld, in die zin dat bepaald is dat verweerder het door opposante betaalde griffierecht ter hoogte van € 181,- dient te vergoeden. Het verzet zal in zoverre niet-ontvankelijk verklaard worden, wegens het ontbreken van procesbelang.
4. Voor wat betreft de stelling van opposante dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten, verwijst de rechtbank naar overweging 8 tot en met 10 van de uitspraak van 20 februari 2023. Daarin is gemotiveerd uiteengezet waarom er geen aanleiding is gezien verweerder in die proceskosten te veroordelen. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om tot een ander oordeel te komen. In zoverre is het verzet dan ook ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzet voor wat betreft het door verweerder te vergoeden griffierecht niet-ontvankelijk;
verklaart het verzet voor zover gericht tegen de proceskostenveroordeling ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RBDHA:2023:2192.