Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-15
ECLI:NL:RBDHA:2023:8669
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,103 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK
DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: C/09/645538 / FT RK 23/286 en C/09/645540 / FT RK 23/287
vonnis van 15 juni 2023
in de zaak van
[naam01]
,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
hierna: de heer [naam01] ,
tegen
Clavas B.V., vertegenwoordigd door Bazuin en Partners
,
gevestigd te Leiden,
hierna: verweerster.
Waar deze zaak over gaat
De heer [naam01] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering(en) wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft de heer [naam01] de rechtbank in de eerste plaats verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Beide verzoeken worden door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Feiten
1.1.
De heer [naam01] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van
€ 86.064,71 aan 14 schuldeisers. Het is de heer [naam01] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Delft heeft hij voor het laatst op 27 oktober 2022 een schuldregeling aangeboden (prognoseakkoord). Dit voorstel houdt in dat over een periode van 36 maanden aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering wordt aangeboden van 58,88% en aan de gewone schuldeisers een uitkering van 29,44%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen. Deze percentages zijn gebaseerd op de afloscapaciteit van de heer [naam01] op basis van zijn inkomen. Dat betekent dat de afloscapaciteit (en daarmee ook de uiteindelijke uitkering aan de schuldeisers) eventueel hoger of lager kan uitvallen.
1.2.
Verweerster is niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam01] heeft een schuld aan verweerster van € 39.530,22. Dat is 45,93% van de totale schuldenlast.
1.3.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [naam01] op 7 april 2023 bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank verweerster dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Procesverloop
2.1.
De verzoeken van de heer [naam01] zijn behandeld op de zitting van 1 juni 2023. Op deze zitting verschenen:
- de heer [naam01] ,
- [naam02] en [naam03] , schuldhulpverleners van de gemeente Delft.
2.2.
Verweerster is opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.
3
Standpunten van partijen
3.1.
De heer [naam01] stelt dat het onredelijk is dat verweerster als enige schuldeiser het aanbod niet aanvaardt. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
Verweerster heeft in haar verweerschrift van 26 mei 2023 het volgende aan haar weigering ten grondslag gelegd. De schuld is te kwader trouw ontstaan. Daarom heeft verweerster er geen vertrouwen in dat de heer [naam01] in het minnelijk traject daadwerkelijk de belangen van zijn schuldeisers ter harte neemt en daadwerkelijk streeft naar een maximale opbrengst.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank wijst het verzoek van de heer [naam01] om een dwangakkoord op te leggen af. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Om het verzoek toe te kunnen wijzen moet de rechtbank kunnen vaststellen dat de schuldbemiddeling door een daartoe bevoegde instantie en op voldoende deskundige wijze is uitgevoerd en getoetst.
Bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Delft. Dat betekent dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie.
Het prognosevoorstel is op onvoldoende deskundige wijze uitgevoerd en getoetst.
4.4.
De heer [naam01] heeft zijn schuldeisers een prognosevoorstel gedaan waarbij de preferente schuldeisers – na een periode van drie jaar – een betalingspercentage van 58,88% in het vooruitzicht is gesteld en de concurrente schuldeisers een betalingspercentage van 29,44%. Deze percentages zijn gebaseerd op enerzijds de inkomsten van de heer [naam01] en anderzijds zijn schulden. Ten aanzien de inkomsten is uitgegaan van een netto inkomen van € 2.409,57. Nadien is een Vtlb-berekening opgesteld waarin is uitgegaan van een netto inkomen van € 1.866,27. Het voorstel is daarop niet aangepast. Dit betekent dat er op voorhand van moet worden uitgegaan dat de in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling aangeboden percentages niet realiseerbaar zijn. Dit terwijl de schuldeisers erop moeten kunnen vertrouwen dat een buitengerechtelijke schuldregeling op correcte en voldoende deskundige wijze is uitgevoerd. Nu in het minnelijke schuldregelingstraject de schuldeisers namens de heer [naam01] een voorstel is gedaan waarvan duidelijk was, althans kon zijn, dat dit niet kan worden gerealiseerd, is naar het oordeel van de rechtbank het voorstel dat aan de schuldeisers is gedaan op onvoldoende deskundige wijze uitgevoerd en getoetst. Bovendien is niet gebleken dat de schuldeisers die met de aangeboden – niet-correcte – uitkeringspercentages hebben ingestemd, ook met een voorstel zouden hebben ingestemd indien correct berekende – lagere – percentages zouden zijn aangeboden. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek tot het opleggen van een dwangregeling afwijst.
Argumenten van verweerster
4.5.
Omdat de rechtbank op grond van het voorgaande al tot afwijzing van het verzoek tot
het opleggen van het dwangakkoord komt, is het niet nodig de andere argumenten op
grond waarvan verweerster niet instemt met de aangeboden schuldregeling te
bespreken.
Beoordeling
5.1.
De heer [naam01] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank wijst het verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP af. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Vanwege een niet correct uitgevoerde buitengerechtelijke schuldregeling geen toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
5.2.
Een WSNP-verzoek moet worden voorafgegaan door een minnelijk schuldregelingstraject. Uiteraard dient het daarbij te gaan om een correct uitgevoerd minnelijk schuldregelingstraject. Zoals onder 4.4. is overwogen, is het minnelijk schuldsaneringstraject op onvoldoende deskundige wijze uitgevoerd en getoetst. Daarom kan het WSNP-verzoek niet worden toegewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) af.
Dit is de beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met F.J. Knaap LL.B., griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2023.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan verzoeker gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en verzoeker tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw).