Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:8398
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,090 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.24029
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
1.1.
Op 7 februari 2020 heeft eiser voor de eerste keer een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ingediend.
1.2.
Bij besluit van 14 april 2020 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam bij uitspraak van 1 mei 2020 kennelijk ongegrond verklaard (NL20.8794). Het namens eiser ingediende verzet is bij uitspraak van 3 juli 2020 ongegrond verklaard.
2. Op 30 oktober 2022 heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd.
3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het onderhavige beroep, dat is gericht tegen het terugkeerbesluit.
4. Verweerder heeft de rechtbank op 13 december 2022 bericht dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Ter onderbouwing daarvan is een uitdraai uit het digitale systeem overgelegd.
4.1.
In het bericht van 2 juni 2023 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd aangegeven dat het contact met eiser is verbroken.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, het beroep in beginsel niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat ervan uitgegaan wordt dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dat is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op de behandeling van zijn beroep. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
6. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde geen contact meer heeft met eiser en dat laatstgenoemde niet is verschenen op de zitting. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser nog in Nederland verblijft en dat zijn gemachtigde bekend is met eisers verblijfplaats. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. In lijn met de vaste jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat eiser gelet op het voorgaande geen procesbelang heeft.
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.