Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:8266
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,955 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15555
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 25 december 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep met behulp van telehoren op 2 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn op het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. Tevens is daar een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich op de rechtbank in Groningen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de meeste recente uitspraak van 25 april 2023 (in de zaak NL23.11204) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 april 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser betoogt dat er geen rechtvaardiging voor zijn vrijheidsontneming bestaat, aangezien hij geen vluchtgevaar vormt en evenmin een risico vormt voor de openbare orde. Hij had een vaste verblijfsplaats en sociale bindingen in Nederland die zijn bereidheid aantonen om mee te werken aan de lopende procedure. Ook bestaat er volgens eiser geen reden om hem langer dan zes maanden in bewaring te stellen. Nergens blijkt uit dat het belang van de staatssecretaris bij de verwijdering van eiser groter is dan bij andere vreemdelingen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een langere bewaring rechtvaardigen. Eiser meent verder dat de inbewaringstelling niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De staatssecretaris heeft geen nieuw feit of argument naar voren gebracht dat een effectieve uitzetting mogelijk maakt, zodat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Verder is er geen voortvarendheid betracht door de staatssecretaris en is er geen zicht op uitzetting. Het is hierdoor onrechtmatig en onmenselijk om eiser nog langer vast te houden.
4. De rechtbank stelt voorop dat de oplegging van de maatregel van bewaring aan eiser door deze rechtbank reeds is getoetst in de uitspraak van 11 januari 2023 (in de zaak NL22.26529). De rechtbank heeft het opleggen van de maatregel van bewaring toen rechtmatig geacht. De rechtbank heeft hierbij onder andere geoordeeld dat er sprake is van een risico op onttrekking en dat de staatssecretaris geen lichter middel had hoeven op te leggen. Eiser heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen die een ander licht werpen op de gronden die maken dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht of nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat er een lichter middel dan bewaring zou moeten worden toegepast. De rechtbank verwerpt daarom de standpunten van eiser dat er geen sprake is van een risico op onttrekking en dat er een lichter middel dan bewaring moet worden toegepast. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verlenging van de maatregel van bewaring na zes maanden (het verlengingsbesluit) niet in deze procedure ter toetsing voorligt. Dit besluit is namelijk nog niet genomen door de staatssecretaris. De beroepsgronden die zien op de inbewaringstelling na zes maanden zal de rechtbank daarom buiten beschouwen laten.
5. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn bestaat. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 26 april 2023 en 17 mei 2023 schriftelijk gerappelleerd op de laissez-passer (lp) aanvraag. Verder heeft de staatssecretaris op 4 mei 2023 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend. Ook bestaan er naar het oordeel van de rechtbank verder geen aanknopingspunten dat Marokko in het algemeen weigert lp’s te vertrekken, of dat voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven, waardoor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan worden aangenomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Marokko van ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’ kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel in haar uitspraak van 2 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:438) bevestigd. Verder blijkt uit de vertrekgesprekken dat eiser niet mee wil werken aan een terugkeer naar Marokko. Eiser weigert bijvoorbeeld om een vrijwilligersbrief te schrijven en heeft aangegeven dit alleen te willen doen zodra hij uit bewaring is. Zoals volgt uit de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210) mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Nu eiser zijn uitzetting belemmert is daarmee in beginsel het zicht op uitzetting al gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank komt het voor rekening en risico van eiser dat de bewaring langer voortduurt, nu hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet.
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden in het kader van de voortduring van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek op 21 april 2023 en het sluiten van het onderhavige onderzoek op 2 juni 2023 op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.