Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-02
ECLI:NL:RBDHA:2023:8217
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,347 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12706
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam] eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Denemarken voor de behandeling daarvan verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de zaak, samen met de zaak NL23.12708, op 31 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk (telefonisch) is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [Geboortedatum] en heeft de Ethiopische nationaliteit. Op 31 december 2022 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 september 2021 in Denemarken reeds een asielaanvraag had ingediend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Denemarken verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. De Deense autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat er sprake is van een verschil in beschermingsbeleid. Bij terugkeer naar Denemarken zal hij geen mogelijkheid krijgen nogmaals een asielaanvraag in te dienen of om een rechterlijke procedure te starten. Bij overdracht aan Denemarken zal hij worden teruggestuurd naar Ethiopië. De overdracht is daarom in strijd met het verbod op indirect refoulement. Hierbij verwijst eiser naar uitspraken van het HJvEU C‑254/21, C‑297/21, C‑315/21 en C‑328/21.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Denemarken in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
5. Het uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Denemarken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit is recent bevestigd door de Afdeling. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.
6. In het licht van het voorgaande mag er van worden uitgegaan dat zijn asielaanvraag in Denemarken adequaat is behandeld. Daarnaast hebben de Deense autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met alle waarborgen van dien.
7. Eiser stelt voorts dat er sprake is van een verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Denemarken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 volgt evenwel dat niet elk restrictiever beleid moet worden gezien als tekortkoming. Eiser moet aannemelijk maken dat er voldoende concrete aanknopingspunten zijn voor het bestaan van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Denemarken ten aanzien van Ethiopië. Daarnaast moet hij concrete aanknopingspunten naar voren brengen waaruit blijkt dat ook de rechter in Denemarken hem niet zal beschermen tegen refoulement. Eiser heeft zijn stellingen ter zake echter niet onderbouwd en/of gedocumenteerd. De enkele verwijzing naar het Nederlandse beschermingsbeleid is hiervoor onvoldoende. Hieruit blijkt namelijk niet dat het beschermingsbeleid in Nederland verschilt met het beschermingsbeleid in Denemarken. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Deense rechterlijke instanties hem niet kunnen of willen beschermen tegen refoulement. De stelling dat hij in Denemarken alle rechtsmiddelen heeft uitgeput is hiervoor niet voldoende. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. In hetgeen eiser overigens nog naar voren heeft gebracht heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:3797.
ECLI:NL:RVS:2022:1864.