Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-02
ECLI:NL:RBDHA:2023:8203
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,062 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14990
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag eiser] 1986 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag vanwege een risico op onttrekking aan het toezicht. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4a en 4c. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat hij vanuit België is overgedragen aan Nederland. Verder voert eiser ten aanzien van de zware grond 3b aan dat hij na de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht en om die reden Nederland heeft verlaten.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van deze gronden volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze feitelijk juist zijn. Eiser was bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument, noch van een geldig visum. Verder heeft verweerder er onder meer op gewezen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij slechts aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Op grond van het tegen eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit diende eiser het grondgebied van de EU te verlaten. Door zich naar België te begeven heeft eiser daar niet aan voldaan. Beide gronden zijn daarom feitelijk juist en tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
5. Eiser stelt voorts dat verweerder bij het ontbreken van de zware gronden 3a en 3b met een lichter middel had moeten volstaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. In dat kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een lichter middel, bijvoorbeeld door plaatsing in het AZC met een meldplicht, toereikend is om dat risico te ondervangen.
Voortvarend handelen
6. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt nu hij op 19 mei 2023 een asielaanvraag heeft ingediend en verweerder hem nog niet heeft gehoord. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021.
7. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. Verder volgt uit deze uitspraak dat verweerder vanaf het moment van inbewaringstelling verplicht is om voldoende voortvarend te handelen. De maatregel van bewaring is op 19 mei 2023 aan eiser opgelegd. Eiser zou in eerste instantie vervoerd worden naar het detentiecentrum Schiphol om aldaar op 1 juni 2023 gehoord te worden. Door de afdeling ‘bevolking’ van het detentiecentrum is echter aangegeven dat eiser onder extra toezicht staat, om welke reden is verzocht om hem terug te sturen naar het detentiecentrum in Rotterdam. Volgens de huidige planning zal eiser op 5 juni 2023 alsnog met een videoverbinding gehoord worden in het kader van zijn asielaanvraag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich vanaf eisers inbewaringstelling voldoende heeft ingezet om een aanvang te maken met de asielprocedure. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Bovendien is de in artikel 59b, tweede lid, van de Vw genoemde termijn niet overschreden.
Ambtshalve toetsing
8. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157.
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.